donderdag 5 augustus 2010

Gedoogsteund


Lijn 12, dinsdagochtend 10:12. Eén halte voor Holland Spoor zwaaien de deuren open en stormen conducteurs binnen. Ook op het perron staat een legertje geüniformden, dat uitstappers opwacht.

“Kaartje! Spreek je Nederlands!” vang ik op. Een boom van een kale Hagenees houdt drie Hindoestaanse dametjes tegen. “Geen kaartje? Geen Nederlands? Dan nu: paspoort! Of ik breng je naar de politie. Voor proces-verbaal. Dat ken ook.”

Bij alle deuren spelen zich simultaan vergelijkbare scènes af. Binnen maakt een kaartjescontroleur zijn ronde, gechaperonneerd door een beveiliger. Ik houd mijn ov-chipkaart gereed – onnodig, want de kerels hebben haast en slaan de hoek waar ik zit – met alleen blanke autochtonen – over.

Het doek voor het rechtse kabinet is nog maar net opgespannen en dit soort handhavers neemt alvast een voorsprong op de inkleuring. Alleen al door het ‘boven de markt hangen’ van de PVV voelt het trampersoneel zich gelegitimeerd tot dit buitenproportionele en discriminele optreden.


Men waant zich gedoogsteund.

’s Avonds vertellen hoge politieambtenaren aan Netwerk dat ze een wetswijziging willen. De politie zou preventief moeten kunnen arresteren, dus nog vóór iemand iets strafbaars doet. Agenten kunnen namelijk heel goed inschatten of iemand rottigheid gaat uithalen. En zo kan oom agent z’n gezag weer terugkrijgen. Netwerk: “Maar je kunt toch niet zomaar iedereen gaan oppakken?” Frans Heeres, korpschef in Brabant: “Niet als je de wet niet verandert.”
Ook de politie begint maar alvast te vingerverven op het blanco doek. Als dat rechtse kabinet toch rechtsbeginselen overboord gooit, waarom dan niet gelijk het ´onschuldig totdat´-principe en het credo ‘niemand wordt gestraft voor zijn gedachten’.
Waarschijnlijk denken die agenten dat ze bij Rutte I straks zeggen: “Preventief arresteren? Ach, waarom ook niet? In China en Noord-Korea zijn er al heel ver mee. En bij de Stasi en de Gestapo bleek het een voortreffelijk instrument voor gezagsversterking.” Zonder dat er nog maar één streek op het doek staat, is de trend alvast ingezet om alle harde, agressieve en discriminerende sentimenten vrijelijk van de daken te schreeuwen.


Men waant zich gedoogsteund.


woensdag 7 juli 2010

McLibris


[Column de Groene Amsterdammer van vorige week]


De boekhandel verhoudt zich tot de schrijver als de speakerset tot de cd-speler. Je kunt nog zo'n voortreffelijke cd-collectie hebben, en nog zo'n geavanceerd apparaat, het zijn uiteindelijk de luidsprekers die het kunnen maken of verprutsen.

Toen de Libris Literatuurprijs dit jaar naar een verhalenbundel ging (Kleine dagen, Bernard Dewulf) werd kort daarop besloten dat voortaan alleen nog maar romans mogen meedingen. Twee redenen voert de firma Libris aan in een verklaring: 'de wens om maximale duidelijkheid te verschaffen en het toenemende aantal grote inzendingen met veelsoortig proza.'


Een tikje vreemd.


Een boekenketen die met een jaarlijkse prijs de Nederlandse literatuur een steuntje in de rug wil geven, zou toch niet vijandig moeten staan tegenover een toenemend aantal grote inzendingen met veelsoortig proza?


In plaats daarvan besluit de keten dat het maar eens uit moet zijn met die veelsoortigheid. Romans willen ze voortaan hebben, en niets anders. En waarom? Dat blijft met die verklaring onduidelijk.


De eerste wens - maximale duidelijkheid verschaffen - is meteen al niet uitgekomen. Het antwoord ligt overigens voor de hand: verhalenbundels verkopen niet. De mensen van de firma Libris zullen bijkans nog meer teleurgesteld zijn geweest dan Tom Lanoye, toen de naam van Dewulf viel.


Omstandig legt het Librisprijs-bestuur op de website uit dat het besluit om af te rekenen met de veelsoortigheid al genomen was in het najaar van 2009. Bij zulke refutatio's moet ik altijd denken aan Bismarcks uitspraak: 'Geloof niets in de politiek tenzij het officieel wordt ontkend.' Het heeft ook veel weg van die voetballers die een tegenstander pootje haken en direct daarop de vermoorde onschuld uithangen, met de handjes in de lucht. Ik deed niks hoor, echt niet!


En dan nog. Wanneer de firma Libris precies besloot verhalenbundels te tackelen doet er weinig toe. Voornamer is dat zo'n decreet weer eens bewijst wat een macht de boekhandelaar heeft in het literaire veld. Vanaf dit jaar zullen er waarschijnlijk heel wat verhalenbundels verschijnen die de genreaanduiding roman voeren, om mee te kunnen dingen.


Het onderscheid is natuurlijk nooit waterdicht geweest. Elke verhalenbundel zal een eenheid nastreven, en een zorgvuldige compositie zijn. Denk aan zo'n boek als Roem van Daniel Kehlmann, dat onlangs de Prix Cévennes won. Dat zou je gerust een verhalenbundel kunnen noemen, als je niet wist dat die dingen niet verkopen. Roman, zegt de Nederlandse vertaling dan ook. Ein Roman in neun Geschichten, durft het Duitse omslag nog wel te zeggen.


De boekhandels zijn de luidsprekers van de schrijver en als zij besluiten dat verhalenbundels en novellen niet verkopen, dan komen die werken ook nergens meer 'horizontaal' te liggen en staan ze weggemoffeld in een kastje met het label 'Onverkoopbare meuk die we ook nog hebben'.


Twee jaar geleden was er een aanverwant relletje rond de Gouden Uil in België. Die ging naar Marc Reugebrinks roman Het grote uitstel. Een onbekend en dus onverkoopbaar boek, klaagde de sponsor (boekhandelketen De Standaard), die 'slechts' negenduizend exemplaartjes wist te slijten. Kort daarop - en over het causale verband lopen tot vandaag nog stevige discussies - zijn jury en organisator van de prijs vervangen.


Ik snap die boekhandelketens niet. Blijkbaar willen ze alleen bestsellers met een prijs bekronen. Maar die bestsellers verkopen toch ook al zonder prijs? Plemp ze in torenhoge stapels in je kiosken, bij je kassa's en in je toptien, en houd dit weken achter elkaar stug vol met een en dezelfde 'titel' en je doel is bereikt, de honderdduizend gehaald, en je kunt weer door, het publiek op de volgende bestseller trakteren.


Ik snap die boekhandelketens werkelijk niet. Zo'n firma sponsort een literaire prijs toch juist om literaire kwaliteit buiten het reguliere massa-aanbod boven water te krijgen? Maar nee, het is juist de veelsoortigheid van het proza waar de ketens nadrukkelijk vanaf willen. Het streven is een maximale versmalling van het assortiment. Zoals overal garandeert eenvormigheid en massaliteit efficiëntie en omzet. Het maakt die ketens niet uit of ze dat bereiken met boeken, overhemden of hagelslag.


McLibris, I'm lovin' it.


Op papier heeft de literatuur nog een status waarin ze bescherming geniet tegen het platte marktmechanisme, met een laag btw-tarief, een vaste boekenprijs of met literaire prijzen. In de praktijk is dat zoiets als het obligate paragraafje 'verantwoord en duurzaam ondernemen' dat bedrijven in hun jaarverslagen opnemen.


Dankzij McLibris verschijnen er de komende jaren nog meer romans, namelijk al die verhalenbundels die terecht menen ook mee te moeten dingen. Het gevolg is dat de 'roman' een nog grotere vergaarbak wordt van allerhande prozateksten. De lectuur zat er al bij, de thrillers en de chicklits, net als de novelles. Nog even en ook toneelstukken, biografieën en gedichtenbundels krijgen het woord 'roman' opgestempeld.


Pas maar op, Libris. Dit kan wel eens een verontrustende toename zijn van veelsoortig proza.


donderdag 1 juli 2010

Kolenboeren


Nog een reden om geen nieuwe kolencentrales te bouwen: er kleeft bloed aan die kolen, ingekocht bij bedrijven die moorden in Colombia, en bij Zuid-Afrikaanse mijnen die de gezondheid van de omwoners schaden. Dat onthulde Netwerk deze week.


Als argument vóór nieuwe kolencentrales heeft de politiek altijd aangevoerd dat we geen keus hebben: de energiebehoefte neemt toe, duurzame energie is er nog niet en we willen niet afhankelijk zijn van import uit het buitenland.


Dus we bouwen nieuwe centrales, stoken er kolen in die Zuid-Afrikanen longkanker bezorgen, vangen de CO2 op en slaan die voor eeuwig op onder woonwijken, saboteren onderzoeken naar de gevaren hiervan - zoals Zembla onlangs liet zien -, en dat doen we allemaal als… tijdelijke overbrugging naar duurzame energie.


Dat wil er bij mij niet in. De Zembla-uitzending over CO2-opslag toonde aan hoe groot de invloed is van energiemaatschappijen op de politieke besluitvorming. Zoals de elektrische auto in de jaren zeventig al rijp voor productie was maar werd tegengehouden door de olie-industrie, zo heeft het er nu alle schijn van dat duurzame energie in Nederland tegen wordt gehouden door kolenstokers die teveel verdienen aan de status quo.


Na de privatisering zijn die zich als prijsvechters gaan gedragen, snapt niemand z’n energienota meer, en ligt onze duurzaamheidagenda in handen van multinationals en andere middenstandsbazen.


Liberalisme is leuk, maar je kunt er ook in doorschieten. Zoiets elementairs als ons gas en licht had nooit zo radicaal aan de marktwerking overgelaten mogen worden. Stel je eens voor dat we ons bosbeheer, ons basisonderwijs of ons leger gaan opsplitsen in winstmakende, onderling concurrerende bedrijven.


De politiek laat zich gijzelen door een onthutsend immorele industrie en vraagt intussen wel van huishoudens een symbolisch offer: dat ze hun gloeilampen vervangen door spaarlampen, wat amper besparing geeft, maar wel operatiekamerlicht, want die krengen zijn niet dimbaar.


De gloeilampen verdwijnen voordat er een goed alternatief is ontwikkeld, en met de stopcontacten is het andersom: die blijven langdurig vuil, terwijl alle alternatieven al lang voorhanden zijn.


vrijdag 11 juni 2010

Foetsie


En ineens is alles voorbij. Welkom in het Nederland van na 9 juni.
Het voelt zoals vroeger bij jaarwisselingen: tegen alle opgetogen verwachtingen in bleek de wereld nog precies dezelfde te zijn.


Ik schrijf deze column ruim vóór de uitslagenavond, en weet nu al dat ons eenzelfde deceptie wacht. Wie er ook won, of de peilingen nu uitkwamen of niet (de Nostradamus in mij fluistert dat Rutte op het nippertje nog onderuit gaat, en een kabinet met Fred Teeven op Justitie en Helma Neppérus op VROM ons bespaard blijft), en wie er ook achter de onderhandelingsdeuren verdwijnen, één ding is zeker: wijzelf zijn het niet.


En daar heeft niemand ons op voorbereid. Drie maanden lang hebben Cohen, Rutte, Balkenende, Pechtold, Halsema en Wilders onze huiskamers bewoond, we zijn intieme details over ze te weten gekomen die we zelfs van onze partners niet weten, we hebben ze vaker in de ogen gekeken dan welk familielid ook, we hebben Emiel Roemer opgenomen als goedmoedige, nieuw aangetrouwde neef, we hebben met ze gelachen, voor ze geklapt, tegen ze gescholden, met ze gehuild en met ze gebeden om Gods genade.


En nu: foetsie.


Ze zijn formeren. Of met reces. Van een enkeling zullen we glimpen opvangen gefilmd door Paleishekspijlen of Torentjesramen. Het zal ons gevoel slechts versterken: dat ze ons, zo snel al, keihard in de steek hebben gelaten.


Dat de oranjegekte de leegte komt opvullen kan nauwelijks een troost heten.


Tegen wil en dank ben je ook aan die hele umwelt gehecht geraakt: Felix, Frits, Ferry, Clairy, Maurice, Matthijs. Ook zij verlaten je kamer, waarin jij achterblijft, met lege flessen en oorsuizen.


Een enkeling zal nog voor de poort posten van zo’n geforceerd ruraal congrescentrum, waar degenen die we gisteren nog vertrouwden in opzichtige vrijetijdskleding naar buiten komen om niets te zeggen, voordat ze instappen bij hun chauffeurs.


Als de camera de geblindeerde ramen volgt, realiseren we ons dat Seneca gelijk had toen hij schreef dat bij weinig mensen dankbaarheid langer duurt dan het geschenk.

donderdag 20 mei 2010

Europa en de box




Zodra een kind begint te kruipen, ontdekt hij dat zijn wereld groter is dan de box. Maar ondanks die Columbiaanse ontdekkingsreizen over het parket, vindt hij het heerlijk om soms terug te keren in die kleine wereld, omringd door spijlen en bogen vol speeltjes.




Ik zie het dagelijks gebeuren, en realiseer me: die box is Nederland, mijn huiskamer Europa. Bij het idee dat ‘Brussel’ inspraak zou moeten krijgen in nationale begrotingen, riepen bijna alle partijen: inmenging in onze democratie!




Dat zou waar zijn, als Europa een monster was dat ons wil opeten. Maar uiteraard zijn wij zelf Europa, met een gedeelde geschiedenis van Middeleeuwen, Erasmus, Renaissance, Shakespeare, Barok, Voltaire, Verlichting, Van Gogh, Nietzsche en de Beatles.




Als we dat iets eerder beseften, zaten nu die PVV-malloten niet namens ons in Brussel. Dan hadden we daar sterkere invloed gehad, in de aanloop naar de periode dat Europa een echte democratische federale regering krijgt, en ons Binnenhof verschrompelt tot regionaal kantoor.






Zelf kan ik niet wachten, maar de meeste Nederlanders maakt het doodsbenauwd.




Onbegrijpelijk, want juist doordat die democratische regering er niet is, krijgen we nu van alles uit ‘Brussel’ door onze strot geduwd.




Als we iets minder ruimtevrees hadden, dan bestond die regering al tien jaar, en had Europa ingegrepen in het begroten-op-z’n-Grieks, zodat we nu die miljarden siëstasteun nog op zak hadden.




Als we inzien dat die leuke speeltjesbox die Nederland heet onderdeel is van een veel ruimere en fascinerende huiskamer, dan hoeven we niet steeds weer jongens als Ewoud Irrgang (SP) in het journaal te zien klagen over inmenging van Europa in onze democratie.




Mijn zoon van acht maanden klaagt toch ook niet over inmenging van de huiskamer in zijn vertrouwde boxrealiteit? Nou ja, heel soms nog, en dan mag hij best even terug die box in.




Maar als hij net zo oud is als Ewout Irrgang (en ik - we lagen allebei in 1976 in onze boxen) mag ik toch hopen dat zijn wereld wél groter is geworden dan z’n eigen huiskamer.




woensdag 12 mei 2010

Binnenpretje


Kiezers trekken met vreemdgaan - het kan. Nicolas Sarkozy en Silvio Berlusconi stegen alleen maar in de publieke opinie toen de media op hun huwelijksproblemen en buitenechtelijke affaires doken. Zelfs Bill Clinton wist zijn imago te reinigen met een verbluffend vakkundig mediaoptreden.


Zou Jack de Vries nu ook zoiets aan het uitdokteren zijn, nu z’n vrouw hem eruit gegooid heeft om die relatie met z’n adjudante? Zit de spindokter annex demissionair staatssecretaris nu in z’n Haagse kazerneschuurtje te repeteren op een gloedvolle tv-bekentenis bij EénVandaag?


Als ik zijn spindokter was, zou ik roepen: doe het niet, Jack!


Sarkozy en Berlusconi, ja, die profiteerden van de herkenning bij het Franse en Italiaanse volk. Ach, natuurlijk, in de liefde gebeuren zulke dingen… dat maakt ze juist menselijk. Zelfs de Amerikanen konden Clinton zijn avontuurtje vergeven. Opnieuw: door identificatie met het al te menselijke.


De enige groep aan wie je zoiets niet kunt verkopen, zijn de stugge Nederlanders. Vooral de CDA-stemmers kunnen zich voor geen nanometer identificeren met het buiten-de-deur-gecopuleer van De Vries. Gij zult niet begeren uw naasten adjudante.


Kiezers laten zich niet zozeer leiden door partijprogramma’s (daarvan moet je immers maar afwachten wat er na coalitievorming van overblijft), maar door iets ongrijpbaarders: verwantschap met iemands morele opvattingen, met ‘hoe hij in het leven staat’.


Hoewel Wouter Bos en Job Cohen identieke standpunten hebben, is alleen Cohen een stemmenmagneet. Verklaring: Bos somt altijd verbeten details en standpunten op, terwijl Cohen zich niet bekommert om de precieze cijfertjes; hij draagt een morele ideologie uit en wekt daarom vertrouwen.


Een overspelig gezinshoofd kan in CDA-kringen op evenveel vertrouwen rekenen als een kakkerlak in een koekjesfabriek. Bovendien is die blije EO-jongerenlach met geen strijkijzer van Jack de Vries’ gezicht te persen. Zelfs als hij een krans legt of een in driekleur gewikkelde kist verwelkomt, blijft die smile op z’n tronie zichtbaar. Onder de loep die tv heet, zal dat permanente binnenpretje onhandig ogen bij zijn biecht.


Alsof hij nog stilletjes nageniet van de nachten die hij betreurt.