maandag 12 oktober 2009

Gods oor


[Column De Groene Amsterdammer vorige week]


In de goede oude tijd dat de Twin Towers nog overeind stonden, brachten die Cees Nooteboom eens tot de volgende mijmering: “Zilverschijnend staan ze daar aan de rivier, die twee torens, alles vermalend tot een ouderwetse wereld en toch op een of andere manier fragiel, kwetsbaar, iets wat nooit kan blijven en op een dag met een zucht in elkaar zakt, verfrommeld als een sigarettenpapiertje.”

De zin komt uit ‘New York, stad van verdwijnen’ , gepubliceerd in - let op - 1975. Als je hem nu terugleest, kun je niet anders dan een tikje verbluft zijn. Je bladert benauwd door de rest van Nootebooms oeuvre: waar komen de volgende aanslagen?

Toegegeven, als je een woordfrequentiemeting op hem zou loslaten, dan scoort ‘verdwijnen’ bij Nooteboom vast heel hoog, maar dat neemt niet weg dat hij met de Twin Towers griezelig profetisch is geweest.

Het is een fenomeen dat meer schrijvers - niet alleen Cees Nostradamus - kennen. Het is zelfs al als wandtegeltje in het huis van de literatuur opgenomen. “Paradoxically though it may seem, it is none the less true that life imitates art far more than art imitates life.”
Oscar Wilde uiteraard, in het essay The Decay of lying (1891). Zeven jaar na dit essay schreef Morgan Robertson een novelle Futility (1898) over een vermeend onkwetsbaar oceaanschip, Titan, dat zinkt nadat het tegen een ijsberg botst.


Oscar Wilde stierf twee jaar later en maakte niet meer mee hoe de Titanic veertien jaar na het boek zijn stelling illustreerde.



Mogelijk zijn zulke verschijnselen er onbewust de reden van dat ik mijn eigen personages weliswaar hun portie penarie meegeef, maar toch nooit radicaal tot op de bodem de vernieling in help.


Misschien ben ik gewoon niet romantisch genoeg om er zulke sadistische gevoelens op na te houden, maar het kan ook zijn dat ik stiekem geloof in life imitates art.


Dat beperkt zich namelijk niet alleen tot scheepsrampen en terroristische aanslagen, maar opereert ook in alledaagse ongemakken. A.F.Th. brak zijn middenvoetsbeentje toen hij net het personage Movo – ‘Moeilijke Voeten’ – had bedacht. In een interview (in Trouw,15-2-2003) zegt hij: “Je kunt je natuurlijk afvragen: is er een verband met de werkelijkheid van mijn roman? Ik zou het haast gaan denken. Met verbeeldingskracht had ik me voorgesteld hoe de voeten van Movo zwollen. Last met lopen, je schoenen niet aankunnen, knappende veters terwijl de voeten als broden de schoenen uitrijzen. Allemaal onttrokken aan de fantasie. En dan stap je zelf mis en dan hoeft niemand je meer te vertellen wat het is.”


In elke schrijver huist een Nostradamus. Misschien doe ik er verstandig aan om nu eens een boek te schrijven over iemand die verpletterend succesvol, absurd rijk en excessief gelukkig is. Eigenlijk precies dat privé-domeindeel van Arthur Japin dus. Aan de andere kant: we weten allemaal sinds Flaubert dat zoiets voor een roman slecht uitpakt. Le bonheur se raconte mal.


Goed, dus ik breng mijn personages flink in de rats. Maar ik ken mijn grenzen. Vermoord laat ik ze niet worden. Niet sinds ik het verhaal ken van de Canadese componist Claude Vivier. Die werd op 34-jarige leeftijd vermoord in de metro in Parijs. Op zijn schrijftafel lag het onvoltooide werk ‘Gelaubst du an die Unsterblichkeit der Seele?’ dat abrupt eindigt op het moment dat de hoofdpersoon in een metro met een dolk wordt gedood.


Gelaubst du an life imitates art? Je kunt er haast niet omheen. Al kun je er ook in doorschieten. In elke schrijver huist een Nostradamus, en in sommigen wel tien. Harry Mulisch ziet het nog altijd als teken van hogerhand dat op het Leidseplein, vlakbij zijn huis, een casino werd gebouwd op het moment dat hij aan De ontdekking van de hemel begon. Dat gaat immers ook over lot en toeval.


Mijn eigen voorbeelden zijn bescheiden. Op 22 mei 1997 begon ik als student aan een klein werkstukje over Herman de Coninck. Ik had het al wekenlang uitgesteld, maar nu had ik me een volle dag met zijn bundels in de universiteitsbibliotheek opgesloten. Toen ik ’s avonds laat naar buiten stapte, kwam er een studiegenoot naar me toe: “Heb je het al gehoord? Herman de Coninck is dood!”

Ik vertelde het aan Frits van Oostrom, die twee jaar eerder zoiets met W.F. Hermans had, van wie hij een citaat in Maerlants Wereld had gebruikt. “Ik kijk ’s avonds op het journaal… Hermans dood! Terwijl ik nog nooit een citaat van Hermans had gebruikt.”


Als Van Oostrom straks een citaat van Harry Mulisch gebruikt, kan die teletekstpagina weer de lucht in, waarin laatst iets te vroeg gerouwd werd. En over wie zal ik straks eens een werkstukje schrijven, of een geestige sterfbedscène?


Er is een oud Jiddisch gezegde dat het Nostradamusachtige samenvat en er onbedoeld misschien zelfs voor waarschuwt: “Van jouw mond naar Gods oor.”


Geen opmerkingen: