Posts tonen met het label De Groene Amsterdammer. Alle posts tonen
Posts tonen met het label De Groene Amsterdammer. Alle posts tonen

donderdag 10 februari 2011

Plotspoiler




[Uit: De Groene Amsterdammer, nummer 5 / 02-02-2011]

Ook op het gebied van boeken maak ik via mijn zoon van anderhalf kennis met een totaal nieuwe wereld. Mijn buurtbibliotheek in het Haagse Valkenbos-/Regentessekwartier heeft een speciale ruimte ingericht voor de allerjongste lezers. Box, speelgoed, speelkleden en beveiligde stopcontacten zijn aanwezig, en het assortiment is vrij uitgebreid.


Elk genre heeft een eigen kast of plank: stoffen boekjes ('kunnen gewassen worden op dertig graden', vermeldt een bordje), voelboekjes, blokboekjes, woordenboekjes, prenten- en voorleesboekjes, plus een plankje geïllustreerde werkjes over zwangerschap en bevallen (waarom eigenlijk? Iedereen die deze babybieb bezoekt is dat stadium toch al levend gepasseerd?).


Mijn strategie is een tamelijk eenvoudige. Ik laat de kleine Weijts in dat peuterhok los, en nestel mezelf in een van de grote fauteuils met een grotemensenboek. Hij veegt vervolgens alle boekjes op stahoogte van de planken, slingert ze de ruimte door en doet er van alles mee.


Als de storm is gaan liggen is het ineens muisstil en spit ik door die omgevallen babyboekenkast om hem uiteindelijk ergens in een zelfgeschapen hoekje aan te treffen, geconcentreerd de pagina's omslaand van één uitverkoren exemplaar.


Ik graai alle boeken bijeen en plaats ze terug (ook al heb ik stellig de indruk dat wij hier de enige bezoekers zijn van het hele Valkenbos-/Regentessekwartier) en scan het gekozen boek bij de leencomputer.



Wat me opvalt is dat de meer verhalende prentenboeken bijna altijd een specifiek basisstramien hebben. Namelijk: opgave - pogingen - oplossing.Zo houd ik erg van de klassieker over een mol die (opgave) wil weten wie er op zijn kop heeft gepoept. Na een rondgang (pogingen) langs de veelvormige fecaliën van paarden, geiten en varkens, vindt de mol ten slotte, met hulp van twee strontvliegen, de dader, een hond (oplossing).


Zoonlief zelf heeft een voorkeur voor een boek dat dan weer een hond als protagonist heeft, Fino, die op zoek gaat naar een rustige plaats om aan konijnen te kunnen denken (opgave), maar overal slechts lawaai treft (pogingen), zelfs in kloosters of aan de achterkant van de maan.


Na het voorlezen denk ik wel eens aan Vladimir Propp (1895-1970), de Russische structuralist, die de morfologie van de volksvertelling in een soort formule heeft proberen te vatten. Zo onderscheidt hij vaste elementen als een vertrek, een uitdaging, een bemiddelaar (ha, die strontvliegen!) of een thuiskomst.


Blijkbaar bestaan er universele tendensen in verhalenvertellen, en zit de whodunnit- of trial and error-vorm in onze genen ingebakken. Het weerspiegelt ongetwijfeld de manier waarop we het leven ervaren, het volgt de menselijke nieuwsgierigheid en volharding. Het probleem is alleen dat mijn zoon bij het voorlezen zo nieuwsgierig naar de afloop is dat hij de bladzijden sneller omslaat dan ik kan voorlezen.


Dat zou allicht verholpen kunnen worden door vooraf de afloop al te melden in plaats van die elke avond weer als een deus ex machina uit de hemel te laten donderen.In sommige orale culturen geeft de verhalenverteller altijd eerst een samenvatting van het hele verhaal, inclusief de clou.


Plotspoiler? Welnee, het plezier van het vertellen wordt juist vergroot als je niet langer gespitst bent op de ontknoping, en rustig kunt genieten van hoe het verhaal zich langzaam manifesteert, in alle details. Veel mensen bladeren in detectives eerst naar het einde.


Zo'n samenvatting vooraf lijkt op Tolstoi's gebod het geweer te tonen ruim voordat het afgaat, en op Gerard Reve's Verbod Op Het Onverwachte. En op de gewoonte in oude boeken, van het type: 'Hoofdstuk X, waarin de prinses haar eerste trio beleeft maar er toch niet voluit van kan genieten vanwege een getrokken verstandskies.'


De aankondiging is blijkbaar een universeel stijlmiddel. Een pure verschijningsvorm ervan vinden we in de opening van Laughter in the Dark (1932) van Vladimir Nabokov: 'Once upon a time there lived in Berlin, Germany, a man called Albinus. He was rich, respectable, happy; one day he abandoned his wife for the sake of a youthful mistress; he loved; was not loved; and his life ended in disaster.'


Fantastisch, een plotspoiler als opening. Direct daarna demonstreert Nabokov de functie ervan, terwijl hij schijnbaar terloops een literatuuropvatting etaleert: 'This is the whole of the story and we might have left it at that had there not been profit and pleasure in the telling; and although there is plenty of space on a gravestone to contain, bound in moss, the abridged version of a man's life, detail is always welcome.'


De roman illustreert vervolgens dat het vertellen aan plezier wint wanneer je het verhaal in grove lijnen al kent. Wanneer je wéét dat je naar, zeg, Santiago op weg bent en het landschap langzaam ziet veranderen is de reis opwindender dan wanneer je er ineens gedropt zou worden. Dit voor de literatuur belangrijke principe wordt helaas nog wel eens vergeten.


Zelfs al bij de allereerste boeken die we onder ogen krijgen.


dinsdag 14 december 2010

Sprezzatura



Omdat ik eind februari even in Rome ben, wilde ik online alvast een hotelkamer boeken. Dat viel nog niet mee. Niet dat er onvoldoende kamers beschikbaar waren, het waren er juist te veel. Het hele historische centrum van Rome is bezaaid met kamers van rond de honderd euro, die er op de internetfoto's stuk voor stuk even keurig en stijlvol uitzien.

Nu weet ik uit mijn ervaring als Funda-surfer en huizenjager dat interieurfoto's de grootste leugenaars op aarde zijn, en de teksten overtuigen me evenmin. Ik geloof niet dat er mensen zijn die nog over de streep worden getrokken door het vooruitzicht van een 'riant' ontbijtbuffet, een 'schitterende, centrale' locatie, of door de gedachte aan het ronddwalen door 'kronkelige steegjes van de meest charmante en authentieke wijk van Rome'.

Op dezelfde manier geloof ik evenmin in het bestaan van mensen die boeken aanschaffen door de omslagbelofte van een 'bloedstollende', 'zinnenprikkelende', 'scherp-zinnige' of 'bij vlagen hilarische' leeservaring.

Ooit volstond een combinatie van een plaatje en een exotische omschrijving misschien als projectiescherm voor gedroomde reizen, maar consumenten zijn geëvolueerd tot min of meer intelligente levensvormen, die erkennen dat zo'n reclametekst niet een van hoger hand neergedaald oordeel is, en zelfs geen adequate beschrijving van de realiteit hoeft te zijn.

Zowel uitgevers als hoteliers zijn zich dat inmiddels bewust, en toch kunnen ze niet ophouden met de productie van dergelijke lokkertjes. Het is een machine die plichtmatig doorloopt. Begrijpelijk, want zolang niet alle hotels er gelijktijdig mee ophouden hun ontbijtbuffet 'riant' te noemen, breng je jezelf in levensgevaar door het woord als enige te schrappen. Wat een wildgroei aan pr-clichés lijkt, is in werkelijkheid een vileine wapenwedloop.

Goed, omdat ik dat allemaal weet en doorzie, baseer ik mijn keuze op iets anders. Ik klik door naar de tabbladen 'reviews' of 'beoordelingen' zoals alle hotelsites die hebben. Hier vind je authentieke gebruikerservaringen van reizigers die met min of meer dezelfde verlangens als ikzelf naar Rome zijn afgereisd, en die mij vrijwillig deelgenoot maken van de mate waarin hun verblijf afweek van hun verwachtingen vooraf.
Hier kun je van op aan. Het is alsof je iemand op een verjaardag hoort zeggen: o, wil je naar dát hotel? Ja, ze bieden gratis fietsen aan, maar vertellen je er niet bij dat je vijf trappen op en af moet, en dat het er 's nachts heel gehorig is. Goed, het kost een hoop tijd, maar met behulp van deze getuigenissen kun je een veel nauwkeuriger keuze maken. Als zes mensen razend enthousiast zijn en er maar eentje klaagt, en dan alleen maar over loshangende kit bij twee badkamertegels, nemen je kansen op een aangenaam verblijf toe.


Dat dacht ik tenminste. Totdat ik las dat er bij de gebruikersrecensies op internetboekhandel Amazon op grote schaal gefraudeerd wordt. Uitgevers en schrijvers blijken pr-bedrijven in te schakelen die vervolgens een wildgroei aan fake-recensies publiceren, vooral negatieve recensies bij concurrenten. Dat schreef de Daily Mail vorige week. Eerder bleek de Britse historicus Orlando Figes onder een valse naam negatieve recensies te publiceren bij de werken van zijn eminente collega's.
Als je zoiets leest zou je willen dat Reve, Hermans en Mulisch nog leefden en over en weer schitterende schaduwoeuvres van hate reviews hadden kunnen schrijven, of dat ze verbeten in elkaars Wikipedia's zouden gaan kladden en gummen.


Tegelijkertijd besef ik dat ik een probleem heb. 'Wij hebben fantastisch geslapen op heerlijke bedden. We hadden een erg ruime kamer, zeker voor Romeinse begrippen, heel behulpzaam personeel (Mario heeft ons zelfs naar het station gereden!) en een ontbijt zoals ik dat elke dag wel wil.' Was getekend: wc-eend.


Ook uitgevers en hoteliers weten inmiddels dat ze moeten infiltreren in social media en online recensies. Ze hebben geleerd beoordelingen, reviews en tweets te tikken, die terloops ogen, niet al te gelikt, en die dus ook wat spelfouten moeten bevatten. De taak van copywriters en pr-medewerkers is zowel complexer als enerverender geworden. In feite brengt de ontwikkeling van internet hun werk dichter bij dat van een romanschrijver. Hij moet de kunst verstaan het kunstige te verbergen onder zijn kunst. Hij moet een achteloosheid kunnen veinzen bij een actie die juist uiterst bestudeerd en op effect belust is. Hij moet zich, met andere woorden, tooien met een sprankelend sprezzatura.
Dit alles helpt mijn zoektocht naar het ideale hotel in Rome echter niet veel verder. Nu ook de autoriteit van zogenaamd authentieke beoordelingen in twijfel getrokken moet worden, ben ik weer terug bij af.


Er resten mij twee wegen. Ofwel ga ik alle recenserende scribenten natrekken, onderzoeken of ze elders ook recensies schreven, de waarschijnlijkheid van hun spelfouten onderzoeken, et cetera. Ofwel - en dat besluit ik te doen - leg ik mij erbij neer en accepteer ik dat reizen weer het ongewisse avontuur is dat het was in de tijd van Goethe.

zondag 21 november 2010

Column De Groene

Nu ook on line, mijn column in de Harry Mulisch special van De Groene:

Het enige gesprek dat ik ooit met Harry Mulisch voerde duurde twintig seconden en vond plaats op het Leidseplein.

KLIK HIER

woensdag 7 juli 2010

McLibris


[Column de Groene Amsterdammer van vorige week]


De boekhandel verhoudt zich tot de schrijver als de speakerset tot de cd-speler. Je kunt nog zo'n voortreffelijke cd-collectie hebben, en nog zo'n geavanceerd apparaat, het zijn uiteindelijk de luidsprekers die het kunnen maken of verprutsen.

Toen de Libris Literatuurprijs dit jaar naar een verhalenbundel ging (Kleine dagen, Bernard Dewulf) werd kort daarop besloten dat voortaan alleen nog maar romans mogen meedingen. Twee redenen voert de firma Libris aan in een verklaring: 'de wens om maximale duidelijkheid te verschaffen en het toenemende aantal grote inzendingen met veelsoortig proza.'


Een tikje vreemd.


Een boekenketen die met een jaarlijkse prijs de Nederlandse literatuur een steuntje in de rug wil geven, zou toch niet vijandig moeten staan tegenover een toenemend aantal grote inzendingen met veelsoortig proza?


In plaats daarvan besluit de keten dat het maar eens uit moet zijn met die veelsoortigheid. Romans willen ze voortaan hebben, en niets anders. En waarom? Dat blijft met die verklaring onduidelijk.


De eerste wens - maximale duidelijkheid verschaffen - is meteen al niet uitgekomen. Het antwoord ligt overigens voor de hand: verhalenbundels verkopen niet. De mensen van de firma Libris zullen bijkans nog meer teleurgesteld zijn geweest dan Tom Lanoye, toen de naam van Dewulf viel.


Omstandig legt het Librisprijs-bestuur op de website uit dat het besluit om af te rekenen met de veelsoortigheid al genomen was in het najaar van 2009. Bij zulke refutatio's moet ik altijd denken aan Bismarcks uitspraak: 'Geloof niets in de politiek tenzij het officieel wordt ontkend.' Het heeft ook veel weg van die voetballers die een tegenstander pootje haken en direct daarop de vermoorde onschuld uithangen, met de handjes in de lucht. Ik deed niks hoor, echt niet!


En dan nog. Wanneer de firma Libris precies besloot verhalenbundels te tackelen doet er weinig toe. Voornamer is dat zo'n decreet weer eens bewijst wat een macht de boekhandelaar heeft in het literaire veld. Vanaf dit jaar zullen er waarschijnlijk heel wat verhalenbundels verschijnen die de genreaanduiding roman voeren, om mee te kunnen dingen.


Het onderscheid is natuurlijk nooit waterdicht geweest. Elke verhalenbundel zal een eenheid nastreven, en een zorgvuldige compositie zijn. Denk aan zo'n boek als Roem van Daniel Kehlmann, dat onlangs de Prix Cévennes won. Dat zou je gerust een verhalenbundel kunnen noemen, als je niet wist dat die dingen niet verkopen. Roman, zegt de Nederlandse vertaling dan ook. Ein Roman in neun Geschichten, durft het Duitse omslag nog wel te zeggen.


De boekhandels zijn de luidsprekers van de schrijver en als zij besluiten dat verhalenbundels en novellen niet verkopen, dan komen die werken ook nergens meer 'horizontaal' te liggen en staan ze weggemoffeld in een kastje met het label 'Onverkoopbare meuk die we ook nog hebben'.


Twee jaar geleden was er een aanverwant relletje rond de Gouden Uil in België. Die ging naar Marc Reugebrinks roman Het grote uitstel. Een onbekend en dus onverkoopbaar boek, klaagde de sponsor (boekhandelketen De Standaard), die 'slechts' negenduizend exemplaartjes wist te slijten. Kort daarop - en over het causale verband lopen tot vandaag nog stevige discussies - zijn jury en organisator van de prijs vervangen.


Ik snap die boekhandelketens niet. Blijkbaar willen ze alleen bestsellers met een prijs bekronen. Maar die bestsellers verkopen toch ook al zonder prijs? Plemp ze in torenhoge stapels in je kiosken, bij je kassa's en in je toptien, en houd dit weken achter elkaar stug vol met een en dezelfde 'titel' en je doel is bereikt, de honderdduizend gehaald, en je kunt weer door, het publiek op de volgende bestseller trakteren.


Ik snap die boekhandelketens werkelijk niet. Zo'n firma sponsort een literaire prijs toch juist om literaire kwaliteit buiten het reguliere massa-aanbod boven water te krijgen? Maar nee, het is juist de veelsoortigheid van het proza waar de ketens nadrukkelijk vanaf willen. Het streven is een maximale versmalling van het assortiment. Zoals overal garandeert eenvormigheid en massaliteit efficiëntie en omzet. Het maakt die ketens niet uit of ze dat bereiken met boeken, overhemden of hagelslag.


McLibris, I'm lovin' it.


Op papier heeft de literatuur nog een status waarin ze bescherming geniet tegen het platte marktmechanisme, met een laag btw-tarief, een vaste boekenprijs of met literaire prijzen. In de praktijk is dat zoiets als het obligate paragraafje 'verantwoord en duurzaam ondernemen' dat bedrijven in hun jaarverslagen opnemen.


Dankzij McLibris verschijnen er de komende jaren nog meer romans, namelijk al die verhalenbundels die terecht menen ook mee te moeten dingen. Het gevolg is dat de 'roman' een nog grotere vergaarbak wordt van allerhande prozateksten. De lectuur zat er al bij, de thrillers en de chicklits, net als de novelles. Nog even en ook toneelstukken, biografieën en gedichtenbundels krijgen het woord 'roman' opgestempeld.


Pas maar op, Libris. Dit kan wel eens een verontrustende toename zijn van veelsoortig proza.


maandag 29 maart 2010

dinsdag 16 maart 2010

Aanloopkosten


Van alle mensen die gevoelig zijn voor oplichting zijn er twee het meest vatbaar: ongeneeslijk zieken en mensen die een boek willen schrijven.


Lees verder op:
http://www.groene.nl/commentaar/2010-03-15/aanloopkosten

vrijdag 4 december 2009

Tussen Dante en Dirk

[column De Groene Amsterdammer, twee weken terug]


Zo zo, dus Dirk Scheringa gaat Een Boek Schrijven. De bestseller top 60 laat zien dat het lezerspubliek in elk geval genereus is voor mensen van zijn slag: ex-bordeelhouders, gevallen politici, gewezen prostituees, voetbalbondscoaches, dieettrutten, loverboyslachtoffers… allemaal hebben ze op een kwade dag besloten Een Boek Te Schrijven. En met dat Boek mogen ze dan naast Matthijs van Nieuwkerk komen zitten om te vertellen waarom ze het geschreven hebben.

Als afrekening. Als therapie. Als genoegdoening. Als ultieme poging om te zeggen waar het op staat. Als een zoektocht. Als middel om er toch mee om te kunnen gaan. Als manier om zegmaar mijn kant van het hele gebeuren duidelijk te maken naar de buitenwereld toe.

De aankondiging van Scheringa klonk nogal dreigend en zo was die waarschijnlijk ook bedoeld. Als jullie mijn bank kapot maken, nou, dan Schrijf ik Een Boek! Het was aandoenlijk, en ik moest er stiekem een beetje om grinniken, om te zien hoeveel waarde zo’n simpele middenstanderziel kennelijk hecht aan het geschreven woord.

Alsof Een Boek alles kan goedmaken, alsof Een Boek uiteindelijk altijd het laatste woord is. Die visie komt vast door zijn Bijbelopvoeding. Of door het Boek van Sinterklaas dat in zijn kindertijd altijd als een dreigend noodlot boven het kleine Dirkje heeft gehangen.

Meer mensen denken zo over boeken. Het eerste wat door Ella Vogelaar heen schoot toen ze hoorde dat ze ontslagen ging worden was, zo vertelde ze nadien: ‘Dat dagboek blijft niet geheim!’ Samen met haar man hield Ella namelijk een dagboekje bij van haar tijd als minister, en dit werd de ruwe kopij voor Twintig maanden knettergek.

Ook zij reageerde met dezelfde reflex als Scheringa: oké, ik kapotgemaakt? Nou, dan sla ik terug, en Schrijf ik Een Boek! Wraak als inspiratiebron. Waarom ook niet? Schreef Dante zijn Divina Commedia niet in ballingschap, met het oogmerk om terug te mogen keren in Florence? En Ovidius, die schreef de Tristia toch verbannen in Tomis, om weer in de gunst van de keizer te komen? De profundis van Oscar Wilde, is geschreven in de gevangenis! Arthur Rimbaud componeerde Une saison en enfer opgesloten in z’n moeders tuinhuisje, na de breuk met Paul Verlaine, die hem in Brussel overhoop had proberen te schieten. En Multatuli - het pseudoniem komt niet voor niets uit Ovidius’ Tristia -, onze eigen Multatuli! Schreef de Max Havelaar in een paar weken tijd in Brussel, een tour de force gestookt op een brandstof van ressentiment, verontwaardiging, wraak, woede.

Voeg daar de complete bibliotheek bij van boeken die geschreven zijn onder het juk van een religie of een dictatuur, en het lijkt zonneklaar dat een underdogpositie de sine qua non is voor monumentale fictie.

Oké, tot zover de argumenten waarom Scheringa’s Boek onverhoopt nog best goed zou kunnen worden. Er zijn echter zwaarwegende verschillen tussen Dante en Dirk, evengoed als tussen Eduard en Ella. Dante, Rimbaud, Wilde en Douwes Dekker schreven allemaal al voordat hun noodlot toesloeg. De literaire verbeelding was dus het vanzelfsprekende slagveld voor hun zielstrijd.

Je zou kunnen zeggen dat hun penibele situaties ze alleen maar gedwongen hebben om nog meer meesterschap aan de dag te leggen.

Ik geloof niet dat meneer Scheringa ooit iets anders geschreven heeft dan de kleine lettertjes onder zijn woekerpolissen. De kans bestaat dat Dirks Boek geen literaire hoogvlieger gaat zijn, maar een eendimensionaal, rancuneus, door een gesjeesde journalist (‘ghostwriter’) opgelapt schotschrift. Dat weet Scheringa, en dat zal hem worst wezen. Ook de lezers zal het worst wezen, net als de boekenkioskinkopers, de bladen, de tv-programma’s en de uitgevers. Het zal ze allemaal een rotzorg zijn hoe beroerd Dirks Boek is, als ze er maar geld mee binnen kunnen halen.

En dat kunnen ze. ’s Avonds bij Pauw en Witteman kon Scheringa al melden dat hij aanbiedingen had van drie uitgevers. Slim, gehaaid; zelfs met de strop rond z’n nek blijft Scheringa marketing voeren. De volgende dag hebben alle andere uitgevers natuurlijk gebeld, en die laat hij nu tegen elkaar opbieden, cirkelen rond het grote Dirk Scheringa Boek als meeuwen rond een homp brood.

In maart van dit jaar verscheen de autobiografie van Scheringa’s vroegere zakenpartner Gerrit Zalm: De romantische boekhouder. Hoe gaat Dirks Boek heten? De creatieve boekhouder? De woekeraar uit Wognum? O, wat hoop ik dat Dante gelijk had met zijn visioen van de Hel, waarin de woekeraars, oplichters en bedriegers in de binnenste cirkels hun eeuwige martelingen ondergaan.

Maar dat is fictie, en we leven niet meer in de tijd van Dante. In de werkelijkheid van nu wordt iemand die onnozele proleten uitbuit om auto’s en keukens te kopen op de pof, door een voetbalstadion vol met diezelfde onnozele proleten toegezongen als held.

Misschien moet Dirk Scheringa maar alvast een plaatsje vrijmaken in een van zijn huizen, voor de NS-Publieksprijs.

maandag 12 oktober 2009

Gods oor


[Column De Groene Amsterdammer vorige week]


In de goede oude tijd dat de Twin Towers nog overeind stonden, brachten die Cees Nooteboom eens tot de volgende mijmering: “Zilverschijnend staan ze daar aan de rivier, die twee torens, alles vermalend tot een ouderwetse wereld en toch op een of andere manier fragiel, kwetsbaar, iets wat nooit kan blijven en op een dag met een zucht in elkaar zakt, verfrommeld als een sigarettenpapiertje.”

De zin komt uit ‘New York, stad van verdwijnen’ , gepubliceerd in - let op - 1975. Als je hem nu terugleest, kun je niet anders dan een tikje verbluft zijn. Je bladert benauwd door de rest van Nootebooms oeuvre: waar komen de volgende aanslagen?

Toegegeven, als je een woordfrequentiemeting op hem zou loslaten, dan scoort ‘verdwijnen’ bij Nooteboom vast heel hoog, maar dat neemt niet weg dat hij met de Twin Towers griezelig profetisch is geweest.

Het is een fenomeen dat meer schrijvers - niet alleen Cees Nostradamus - kennen. Het is zelfs al als wandtegeltje in het huis van de literatuur opgenomen. “Paradoxically though it may seem, it is none the less true that life imitates art far more than art imitates life.”
Oscar Wilde uiteraard, in het essay The Decay of lying (1891). Zeven jaar na dit essay schreef Morgan Robertson een novelle Futility (1898) over een vermeend onkwetsbaar oceaanschip, Titan, dat zinkt nadat het tegen een ijsberg botst.


Oscar Wilde stierf twee jaar later en maakte niet meer mee hoe de Titanic veertien jaar na het boek zijn stelling illustreerde.



Mogelijk zijn zulke verschijnselen er onbewust de reden van dat ik mijn eigen personages weliswaar hun portie penarie meegeef, maar toch nooit radicaal tot op de bodem de vernieling in help.


Misschien ben ik gewoon niet romantisch genoeg om er zulke sadistische gevoelens op na te houden, maar het kan ook zijn dat ik stiekem geloof in life imitates art.


Dat beperkt zich namelijk niet alleen tot scheepsrampen en terroristische aanslagen, maar opereert ook in alledaagse ongemakken. A.F.Th. brak zijn middenvoetsbeentje toen hij net het personage Movo – ‘Moeilijke Voeten’ – had bedacht. In een interview (in Trouw,15-2-2003) zegt hij: “Je kunt je natuurlijk afvragen: is er een verband met de werkelijkheid van mijn roman? Ik zou het haast gaan denken. Met verbeeldingskracht had ik me voorgesteld hoe de voeten van Movo zwollen. Last met lopen, je schoenen niet aankunnen, knappende veters terwijl de voeten als broden de schoenen uitrijzen. Allemaal onttrokken aan de fantasie. En dan stap je zelf mis en dan hoeft niemand je meer te vertellen wat het is.”


In elke schrijver huist een Nostradamus. Misschien doe ik er verstandig aan om nu eens een boek te schrijven over iemand die verpletterend succesvol, absurd rijk en excessief gelukkig is. Eigenlijk precies dat privé-domeindeel van Arthur Japin dus. Aan de andere kant: we weten allemaal sinds Flaubert dat zoiets voor een roman slecht uitpakt. Le bonheur se raconte mal.


Goed, dus ik breng mijn personages flink in de rats. Maar ik ken mijn grenzen. Vermoord laat ik ze niet worden. Niet sinds ik het verhaal ken van de Canadese componist Claude Vivier. Die werd op 34-jarige leeftijd vermoord in de metro in Parijs. Op zijn schrijftafel lag het onvoltooide werk ‘Gelaubst du an die Unsterblichkeit der Seele?’ dat abrupt eindigt op het moment dat de hoofdpersoon in een metro met een dolk wordt gedood.


Gelaubst du an life imitates art? Je kunt er haast niet omheen. Al kun je er ook in doorschieten. In elke schrijver huist een Nostradamus, en in sommigen wel tien. Harry Mulisch ziet het nog altijd als teken van hogerhand dat op het Leidseplein, vlakbij zijn huis, een casino werd gebouwd op het moment dat hij aan De ontdekking van de hemel begon. Dat gaat immers ook over lot en toeval.


Mijn eigen voorbeelden zijn bescheiden. Op 22 mei 1997 begon ik als student aan een klein werkstukje over Herman de Coninck. Ik had het al wekenlang uitgesteld, maar nu had ik me een volle dag met zijn bundels in de universiteitsbibliotheek opgesloten. Toen ik ’s avonds laat naar buiten stapte, kwam er een studiegenoot naar me toe: “Heb je het al gehoord? Herman de Coninck is dood!”

Ik vertelde het aan Frits van Oostrom, die twee jaar eerder zoiets met W.F. Hermans had, van wie hij een citaat in Maerlants Wereld had gebruikt. “Ik kijk ’s avonds op het journaal… Hermans dood! Terwijl ik nog nooit een citaat van Hermans had gebruikt.”


Als Van Oostrom straks een citaat van Harry Mulisch gebruikt, kan die teletekstpagina weer de lucht in, waarin laatst iets te vroeg gerouwd werd. En over wie zal ik straks eens een werkstukje schrijven, of een geestige sterfbedscène?


Er is een oud Jiddisch gezegde dat het Nostradamusachtige samenvat en er onbedoeld misschien zelfs voor waarschuwt: “Van jouw mond naar Gods oor.”


zaterdag 12 september 2009

Proeven



[column Groene Amsterdammer]

Van alle tv-competities staat het Britse Masterchef op eenzame hoogte. Op de een of andere manier slagen die lui erin om je adem te laten stokken zodra ze met chirurgische precisie een vork volprikken, en na een minimale kaakbeweging een tekst uitspreken als: “De textuur van die zeebaars is prachtig, en de smaken zijn out-rage-ous! Net wanneer het zilte van de vis wegebt, komt het zoet van de lychees erin, samen met het scherpe zuur van het kleine minilimoentje, en dat alles wordt acrobatisch in balans gehouden door de saffraan in de basmatirijst; het knapperige van de kroepoek houdt het gevaar van weekheid, zoals dat op een bord als dit onvermijdelijk op de loer ligt, op veilige afstand; dit, Clara, zou wel eens de beste zeebaars kunnen zijn die ik ooit heb gegeten.”

Clara is dan, voorstelbaar genoeg, al lang in tranen. Ook de kijker is overdonderd. Ik ben vaak een beetje jaloers op die proefmannen, en hun supersnelle straalverbinding tussen smaakpapillen en taalcentrum.

Ik kom in restaurants nooit veel verder dan: ‘Hm…lekker.’ Het is een conglomeraat van smaken, een totaalimpressie die het oordeel onmiddellijk in één hap vormt, maar waarvoor ik geen argumenten kan aandragen. Op dezelfde manier heb ik ook aan een paar zinnen genoeg om te weten of ik een boek goed vind of niet.

Philip Roth laat zijn hoofdpersoon in Ik was getrouwd met een communist hetzelfde overkomen. Nathan Zuckerman is onder de indruk van een citaat (‘hoer van mijn ziel’) dat zijn leraar Engels hem geeft.
“Ja, ‘hoer van mijn ziel’ vind ik mooi.”
“Waarom?” vroeg hij. (…)
“Omdat,” zei ik, “je meestal niet aan je ziel denkt als een hoer.”
“Wat bedoelt hij met ‘hoer van mijn ziel’?”
“Verkopen,” antwoordde ik. “Zijn ziel verkopen.”
“Juist. Zie je hoeveel sterker het is? (…) Waarom is het sterker?”
“Omdat hij het met ‘hoer’ verpersoonlijkt.” “Goed - wat nog meer?” En zo dwingt hij Zuckerman om met de microscoop op dat ene woord af te dalen, en een beetje zoals die Masterchefproevers te worden.

Het fragment laat iets aardigs zien. De argumentatie waaróm iets mooi is, komt altijd achteraf, en heeft een hypothetisch karakter. Je moet naar woorden zoeken om de ervaring te benaderen of te verklaren. Je bent dus al drie, vier stappen verder, aan het rationaliseren, argumenteren, analyseren of weet-ik-veel-eren.

Dat dat iets onbevredigends heeft, merk je het duidelijkst als je over niet-talige kunstwerken als maaltijden of muziekstukken spreekt. Een voorbeeld. Een van de mooiste linkerhandfrasen ooit voor de piano geschreven, is de opening van de Berceuse van Chopin.

Op het eerste gehoor lijkt het stuk te beginnen met een simpele, kalme golfslag, net iets ruimer dan een octaaf. In de derde en vierde tel echter, als de parabool van de boog na het hoogtepunt terugloopt, voegt de componist twee stijgende noten toe (een f en een ges).

Het zijn exact die noten die deze baspartij zo briljant maken. Zonder die twee zou de luisteraar immers alleen de melancholische, berustend zuchtende, enigszins conventionele terugval ervaren (des-c-as), maar nu is daarin - gelijktijdig! - een klimmende kleur gekomen: hoop, vreugde. Met een minimum aan middelen heeft de componist het voor elkaar gekregen dat twee elkaar doorgaans uitsluitende emoties met elkaar mengen.

Kennelijk was Chopin zelf ook niet helemaal ontevreden met zijn vondst, want hij houdt die golfslag van de linkerhand zo’n 68 maten vol, dat wil zeggen: bijna het hele stuk.

Tot zover mijn recensie van Chopins opus 57. Alle woorden zijn waar, maar dat neemt niet weg dat ze tekortschieten. Wie een esthetische ervaring probeert te ontrafelen lijkt op het jongetje dat de tijd wil ontdekken door een horloge uit elkaar te schroeven. Uiteindelijk gaat het, ook in kunst, om iets anders dan wat je achteraf construeert en beredeneert.

Het gaat, om het wat aanstellerig te formuleren, om dat je ne sais quoi. Die Masterchefjongens kunnen nog zulke mooie volzinnen maken over het hapje dat ze naar binnen werken, als kijker weet je dat het meest essentiële je ontgaat, al was het maar omdat er naast de kleurentelevisie nog geen smakentelevisie is uitgevonden.

Misschien valt er, als we eerlijk zijn, ook over boeken uiteindelijk niet veel méér te zeggen dan dat we of wél of níet bereid zijn om mee te gaan in de wereld waarin de vertellende stem ons wil meeslepen. En waarom? Je ne sais quoi.

Goede boeken laten zich niet recenseren, je kunt hooguit naar ze wijzen. Hier, proef eens! Laatst at ik met een vriend in een Indisch restaurant. Het tweede gerecht was een geweldige soep. Iemand van de bediening weidde uit over de ingrediënten en hun herkomst. Toch zei dat minder dan de reactie van mijn tafelgenoot: “Als ik deze soep zelf kon maken, dan zou ik hem elke dag eten.”

zondag 2 augustus 2009

€'s en het eBook

[column De Groene Amsterdammer]
Iedere zomer, bij het inpakken van koffers, schiet de gedachte aan het eBook weer even door m’n hoofd. Het eigentijdse deel van mijn brein juicht het toe: niet meer na wikken en wegen dat ene dikke boek mee in de bagage, maar domweg een paar honderd boeken mee, in een apparaatje van amper twee ons.
Direct daarop breekt er massaal protest uit in een andere, conservatieve hersenhelft, die papier wil ruiken, bladzijden wil omslaan en er eerlijk gezegd al zwaar de pest over in heeft dat boeken niet meer handmatig met losse loden letters worden gezet, en dat je nergens meer fatsoenlijk folianten kunt opensnijden.
Kennelijk overheerst die hersenhelft bij de meeste lezers, want het eBook is - tien jaar wedijver ten spijt - geen succes. Sterker nog: het tijdschrift Computerworld zette onlangs de eenentwintig grootste technologische mislukkingen op een rij. Het eBook was nummer vijf.
Niettemin kreeg ik rond diezelfde tijd van mijn uitgever een aanvulling op bestaande contracten toegestuurd, met een afspraak over de royaltyverdeling voor eBooks. Eerder al waren er uitnodigingen geweest voor informatiebijeenkomsten over het eBook. Zoals er buurtbijeenkomsten worden georganiseerd als ergens een enge pedofiel is opgepakt.
Achter de schermen worden de geesten kennelijk rijp gemaakt voor een nieuwe gooi naar de elektronisering van het boek, en beginnen de kampen van belanghebbenden zich af te tekenen en te organiseren.
Want één ding is zeker: als straks het eBook ineens wél aanslaat, dan zal er iemand zijn die daar een verschrikkelijke smak geld aan gaat verdienen. En het klinkt heel vreemd, maar ik heb zo’n voorgevoel dat die iemand níet de schrijver is - daarvoor hoef ik niet eens op dat royalty-addendumpje te kijken.
De Nederlandse belanghebbenden van de eBookmarkt gedragen zich momenteel een beetje als wielrenners in een peloton op dertig kilometer van de finish. Zonder dat het voor de argeloze kijker zichtbaar is, heerst er onrust.
De geoefende commentator ziet ze zenuwachtig worden, de verschillende ploegen. Is het verstandig om nu al te demarreren? De renners van bol.com zijn zich al smoezend aan het klaarmaken voor een ontsnapping. Intussen blijven de uitgevers dicht bij ze in het wiel. Ook in de ploeg van de softwarejongens is er onrust. iPhone en andere mobiele telefoniebedrijven komen iets naar voren vanuit de flanken.
En de schrijvers? De schrijvers sukkelen ergens helemaal achteraan, op een paar minuten afstand van het peloton. Vanouds zijn zij in het boekenbedrijf de figuren die onderaan de piramide bungelen: de ‘auteurs’, zoals ze intern worden genoemd, dat overbodige volkje dat ook zonodig een paar procentjes van de opbrengst in de boekenindustrie moet wegpakken.
Kijk maar eens rond op een literaire prijsuitreiking of een boekenbal, en je zult versteld staan van de hoeveelheid mensen die hun salarissen aan de literatuur te danken hebben, zonder ook maar een letter te hoeven schrijven.
Het handjevol schrijvers staat er wat bedremmeld bij. Ze zijn de grondstofleveranciers van een industrietak die ze nauwelijks doorgronden, mijnwerkers die even met een drankje in de hand mogen meeborrelen, en geacht worden om dadelijk wel weer af te dalen in de schacht en met wat moois boven te komen.
Maar goed, dat is opnieuw mijn mopperende hersenhelft. Laten we, nu het toch zomer is, eens naar de zonzijde van het eBook kijken. Want alle argumenten die ik er tegen bedenk, zijn van dezelfde orde als die ik jaren terug in stelling bracht tegen de mp3-speler, de mobiele telefoon en de TomTom, apparaten die ik nu dagelijks en dankbaar gebruik.
Laten we reëel zijn: honderden, duizenden boeken, altijd binnen handbereik, efficiënt doorzoekbaar, in een schermpje dat steeds minder van echt papier is te onderscheiden - binnen één of twee generaties zal hier toch zeker wel de nostalgische fetisj van drukinktgeur en doorzakkende boekenplanken voor opzij zijn gezet?
Bovendien is er een ethisch argument: geen oerwoudkap meer voor bestsellerproductie. Daarnaast is er, en dat is het allerbelangrijkste, een gigantisch humanitair argument voor eReaders en eBooks. Al die boekbinders, drukkers, papierleveranciers, boekhandelaren, pandjesbazen, magazijnmedewerkers, distributiecentra, vrachtwagenchauffeurs, zetters, brandstofleveranciers en noem ze allemaal maar op, die zijn ineens allemaal onnodig geworden. Op die manier blijft er een hoger percentage over voor de mensen die daadwerkelijk aan het boek hebben gewerkt.
Schrijvers kunnen zelfs een collectief gaan vormen, dat op eigen gelegenheid redactie- en promotiekrachten inhuurt. Los van welke (internet)boekhandel dan ook kunnen ze hun werk on line te koop aanbieden, beduidend goedkoper dan in de winkel, op de eigen homepage. Op die manier kunnen ze, nadat ze het handjevol secundaire medewerkers een royalty van een paar procent hebben gegeven, het volle pond van de verkoopprijs ontvangen.
Schrijver blij, lezer blij. En de rest van de wereld? Heel simpel: die bestaat niet meer, en zo hoort het ook, zeker in de zomer.

dinsdag 7 juli 2009

Taalanorexia


[Column De Groene Amsterdammer]


Heb ik De eenzaamheid van priemgetallen al gelezen? Dat vragen allerlei mensen me de laatste tijd op allerlei gelegenheden en telkens blijft dat ene woordje even haken: al.


De vraag of ik het al gelezen heb, impliceert dat dit onherroepelijk vroeg of laat gaat gebeuren, en ik me daar maar beter niet tegen kan verzetten, zoals in ‘Heb je al een afspraak bij de tandarts gemaakt?’

‘Nee, nog niet,’ reageerde ik de eerste keer.

Meteen begreep ik dat ik reflexmatig vol op die taalkundige bermbom was gestapt – nóg niet, maar vroeg of laat gaan we er allemaal aan. Zat er misschien een gehaaide pr-afdeling achter die ‘al’-vraag?


Voortaan was ik dus op m’n hoede, en beantwoordde ik het priemgetallen-instinkertje met onnodig grote verbijstering: ‘Huh? Maar dat ben ik helemaal niet van plan!’

Het gevolg daarvan is dat ik nu een hele zooi lovende orale recensies over dat boek te horen heb gekregen.


Over één daarvan gaat deze column, en als u vindt dat ik daar dan wel een verdomd lange aanloop voor genomen heb - alsof u waarachtig niks beters te doen heeft, kan die jongen nu eens eindelijk een beetje to the point komen - dan moet u vooral doorlezen.


‘Het mooie aan Priemgetallen is dat het zo bondig geschreven is. Terwijl die Italianen gewoonlijk altijd van die lange zinnen maken, met veel bijzinnen, tussenzinnen…’ Het bondige noorden versus het langdradige zuiden: daar zou eens een literatuurwetenschapper onderzoek naar moeten doen.

Ik vermoed dat er inderdaad een verband bestaat tussen zinslengte en breedtegraad. Waar schaduwen slinken, groeien de zinnen. Om het ook maar eens bondig te zeggen. Want daar houden we in Holland van. Korte zinnetjes. Zonder poespas. Gewoon is al gek genoeg. Ja toch niet dan.


O, hoe háát ik de soberheidsdoctrine van ons verkavelde vlakland, waar geknepen billen elk ritme uitbannen en iedere gedachte gesmoord wordt in de anorexia van flinterdun geschilde zinnetjes.

‘Geen wóórd teveel. Dus het leest echt als een…’ O nee, sta mij bij, machtige goden, en help me mijn oren te bedekken, help mij om te niet te horen wat ik nu - hoe ik mijn vuisten ook bal tegen mijn oorschelpen, en hoe ik mijn ogen ook dichtknijp tegen onvrijwillig liplezen - toch hoor: ‘… als een trein.’


Een trein! Terwijl het enige dat daarop te lezen valt bijna even slaapverwekkend is als die vijf-woorden-per-zin boekjes: 2 2 2 1 1 2 2 2 2 1 1. Een trein! Kan het lulliger? Je zou zo iemand de kop van de romp willen rukken opdat hij nooit meer zulke kolder uitkraamt.


‘Ah, oké,’ mompel ik. En dan iets enthousiaster: ‘Een trein zeg je? Juist. Nou eh… ik ben heel benieuwd.’


Kijk: ik plaag u maar een beetje, en u moet natuurlijk maar mooi vinden wat u mooi vind, maar toch zou ik het fijn vinden wanneer het misverstand uit de wereld verdwijnt dat een boek met korte zinnen - dat wil zeggen: een boek waarin de auteur de boel in stukken hakt door willekeurig wat punten en returns te hameren - ook automatisch tempo en vaart heeft.


Voor mij lijkt zo’n boek eerder op een file.


Haar vader zou woest zijn. Ze moest een leugen bedenken. Een goed verhaal zonder hiaten of tegenstrijdigheden. Ze peinsde er niet over om te vertellen wat er echt gebeurd was. De mist, natuurlijk, het kwam door de mist.


(Uit: De eenzaamheid van de priemgetallen, hoofdstuk 1)


Bij elke punt is het alsof ik rem en koppeling moet intrappen. Pas bij de vierde zin mag ik naar de tweede versnelling doorschakelen, maar eer ik op gang ben, zit ik al weer op de bumper van de auto vóór me (‘De mist’). Met slippende koppeling ploeter ik me door de eerste pagina’s van De eenzaamheid van priemgetallen. Juist in een wat langere zin, met een bijzinnetje waarin je het toerental wat voelt oplopen, en daarna nog eens een terzijde, alsof je de versnellingspook van drie omlaag trekt naar vier, voelt het alsof je de bebouwde kom verlaat en een 80km-weg voor je ziet liggen - even leeg als kaarsrecht - waarop je naar hartenlust los mag gaan, terwijl je verderop al de verlokking voelt van een invoegstrook, en de lastig te beschrijven voorpret van het schakelen naar de vijfde versnelling.


De Hollandse taalanorexia zit diep in onze cultuur. Boeken moeten to the point zijn. Vroeger op school al, luidde de standaardvraag bij literaire teksten: ‘Wat probeert de auteur hier te zeggen?’


Probéért. Alsof de schrijver een gemankeerde malloot was, die het vermogen miste om ‘gewoon te zeggen waar het op staat’, wat elke puber zelf beter kon doen, waarna het boek als overbodig geleuter terzijde kan worden geschoven.


Wie De eenzaamheid van priemgetallen ‘Italiaans, maar godzijdank toch bondig’ vindt, moet bij zijn Ferrari-dealer maar eens informeren naar een exemplaar dat prettig in files rijdt.


vrijdag 12 juni 2009

Riskant


[Column De Groene Amsterdammer, vorige week]


Allemachtig, dat maak je in boekenland toch niet elke dag mee. Er is een manifest verschenen. Ik was al bang dat het een uitgestorven genre was, het MANIFEST. Want ik zie het woord in gedachten altijd in nijdige kapitalen, gestencild op grauw kringlooppapier, met spijkers op de deuren van de heersende macht geramd, met een verbeten en-nu-is-het-genoeg-gezicht.


Voor het onwaarschijnlijke geval dat u het miste: Erik Jan Harmens en Ilja Leonard Pfeijffer schreven in Trouw hun ‘Manifest voor een riskante literatuur.’ Riskant moet hier begrepen worden als: betrokken bij de maatschappelijke thema’s van deze tijd.


Ik stond er aanvankelijk wel even van te kijken, moet ik zeggen. We leven volgens deze heren in ‘bijzonder gevaarlijke tijden die bijzondere eisen stellen aan de kunst.’ En: ‘Schrijvers zouden niet in hun werkkamer een stilleven van een appel en een peer moeten bedichten terwijl buiten het kanonnenvlees in de loopgraven lilt.’


Niet zozeer de stellingen verbaasden me, als wel hun afzenders. Met Pfeijffer heb ik regelmatig discussies gevoerd in het hoofdkwartier van wat berucht is geworden als de ‘Leidse literaire maffia’, Café Burgerzaken. Maatschappelijk engagement was bepaald geen topprioriteit, en het enige lillende vlees dat het bedichten waard was, lag in de Ikeabedjes van de studentenhuizen. En publiekelijk heeft Pfeijffer toch altijd het ‘orakels balken in de taal van engelen’ bepleit?


Inmiddels hebben zwerflust en entropie de Leidse maffia wat verdund - Pfeijffer woont inmiddels in Genua, en ik in ’s-Gravenhage - maar dat zou toch niet voor de literaire beginselen ervan moeten gelden. Of kan een fietstocht naar Italië iemand plotsklaps veranderen in een wereldverbeteraar die roept: ‘Kunstenaars zijn ten volle verantwoordelijk voor de toestand in de wereld of zij nemen hun eigen kunst niet serieus.’


Pas na drie, vier keer lezen viel het kwartje.


O, het is ironisch bedoeld! Dat is een hele geruststelling.


Al heb je voor die ironie wel een loep nodig. ‘Wij willen literatuur die in geen andere tijd moet zijn geschreven, dan in de tijd waarin ze is geschreven.’ Moet zijn geschreven, niet ‘kan’. Ergo: wij willen gras dat geen andere kleur dan groen heeft. ‘Wij verachten platte pamflettistische literatuur’. En wij doen dat in een pamflet. Een pamflet van een handjevol uiterst nonchalante en gratuite zinnetjes, waarvan de laatste luidt: ‘Nonchalance in de literatuur is een misdaad.’


Op deze manier ben ik natuurlijk een spelbreker, iemand die de clou van een mop gaat uitleggen, maar omdat het een nogal flauwe mop is, mag het. Bovendien heeft haast niemand de grap begrepen, zoals blijkt uit de reacties op het manifest in het forum van weblog De Contrabas. (En als u wilt weten wie die commenters zijn: bezoek één poëzieavond in, zeg, het Amsterdamse Perdu, en je ziet ze alle tien, twintig gematerialiseerd om je heen.)


De ironie richt zich uiteraard tegen Thomas Vaessens’ roep om meer engagement, maar wat zich hier voordoet is wat Mulisch het ‘ironische van de ironie’ noemde: men vat het als serieus op.Een satire maken op Vaessens kan natuurlijk grappig zijn.


Zeker nu de arme man al maandenlang het pispaaltje van literair Nederland is, wordt de volgende grondwet van kracht: één keer een grap uithalen is leuk, tien dezelfde grap uithalen is flauw, honderd keer dezelfde grap uithalen is ontzettend leuk.


Maar satire is pas satirisch als ze 1) voor de lezer als satire te herkennen is en 2) impliciet een alternatief voor het bekritiseerde biedt. Het ‘manifest voor een riskante literatuur’ doet dat niet, en illustreert zo de eigen, oxymoronachtige stelling: ‘Wij hekelen irrelevantie als einddoel.’Het ironische van die ironie wil dat we dit pamflet dus dienen te beschouwen als een pleidooi voor irrelevantie, risicoloosheid en wereldvreemdheid.


Dat wil er bij mij niet in. En bij de schrijvers zelf ook niet, mag ik hopen.


De voornaamste winst van de Vaessensdiscussie is, zoals ik op deze plaats al eerder schreef, dat die ons uitdaagt om opnieuw te vertellen wat literatuur ook al weer is. Blijkbaar is dat nodig. Pfeijffer en Harmens zijn beiden bloemlezers en daarmee pleitbezorgers en ambassadeurs van de literatuur.


De discussie zoals die nu in allerlei vormen uitwaaiert, is een prachtige kans om in die rol op de voorgrond te treden. Ze hadden kunnen vertellen waaruit het werkelijke engagement van literatuur bestaat, om welke specifieke vorm van betrokkenheid het in poëzie en proza nu eigenlijk gaat, en welke volstrekt unieke ingangen die kunstvormen hebben tot de thema’s die de wereld bezighouden en die uiteraard in elke tijd ‘bijzonder’ of vooruit, ‘gevaarlijk’ zijn geweest. Ze hadden kunnen waarschuwen voor de gevaren die de kunsten bedreigen die zij vertegenwoordigen.

Ze hadden het ongenoegen van dichters en schrijvers over de commerciële praktijk een stem kunnen geven. Ze hadden dat in briljante ironische bewoordingen kunnen doen.


Ze hadden een MANIFEST voor een riskante literatuur kunnen schrijven, dat weet ik zeker.

vrijdag 29 mei 2009

De boekengeurproef


“Ik kan een manuscript van honderd meter afstand zien liggen,” begint de voormalig uitgever, “en ruíken of er een noodzaak in zit.”

We dineren buiten in Florence, op het plein voor de Santa Croce. Tegenover ons zit een dame die ons net verteld heeft over een vriendin, die graag een boek wil schrijven, maar hopeloos vastzit.

De voormalig uitgever zwijgt en loert over het pleintje, alsof hij aan de overkant daadwerkelijk een manuscript ruikt.

“Maar er zít een noodzaak in,” riposteert de dame. “Mijn vriendin heeft me het verhaal verteld. Het is een liefdesverhaal, en erg belangrijk.”

Mijn reisgenoot resoluut: “Onzin. Als een verhaal belangrijk genoeg is om op te schrijven, dan praat je er met niemand over.”

Tijdens het dessert lijkt de dame wat teneergeslagen. Pas als ik na haar vertrek opper dat ze met die ‘vriendin’ weleens zichzelf bedoeld kan hebben, begrijpen we de stemmingswisseling.

“Ben ik te hard voor haar geweest?” vraagt mijn reisgenoot beduusd.

Nee, zeg ik. Hij had volkomen gelijk. Afgezien van die geur van noodzakelijke manuscripten, maar ook dit begrijp ik wel.


Zelf lees ik vóór het aanschaffen van een boek altijd de eerste drie zinnen in de winkel. En de laatste drie; heiligschennis, vinden sommigen, maar als een boek het alleen van de clou aan het einde moet hebben, kan het natuurlijk niets zijn. Die lakmoesproef bezorgde me onlangs Roem van Daniël Kehlmann.

Ebling was nog niet thuis of zijn mobiele telefoon ging. Hij had jarenlang geweigerd er een te kopen, want hij was technicus en vertrouwde het zaakje niet. Waarom vond niemand het erg om iets waar gevaarlijke straling van uitgaat tegen zijn hoofd te houden?


Kijk, zo moet het. Ik weet niet of ik meteen een noodzakelijkheid ruik, maar in drie zinnen staat er onmiddellijk een mens op je netvlies. Ook bij non-fictie volg ik die testprocedure. Neem het genre dat ik hiervan het gretigst lees: de biografie.

Het was een sprankelende morgen in Parijs, dinsdag, 30 oktober 1849, toen een mensenmenigte het plein voor de Madeleine-kerk op stroomde. Voor de gelegenheid, de begrafenis van Frédéric Chopin, was de hele façade van de neoklassieke tempel behangen met stroken zwart fluweel met in het midden een cartouche waarin de in zilver geborduurde initialen: FC. (Benita Eisler: Requiem voor Chopin, 2003).



Zo moet het dus niet. Na twee zinnen weet je al dat je te maken gaat krijgen met een vie romancée vol dweperige sfeerbeschrijvingen en een tsunami van adjectiva, en niet met een mens.


Het eerste dat de taxateurs zagen toen ze de deuren van Andy Warhols huis op 57 East Sixty-sixth Street in New York openmaakten, was een meer dan levensgrote buste van Napoleon, die hen aankeek vanaf een antieke tafel in het midden van de immens hoge hal. (Victor Bockris: Andy Warhol. 1989).



Dat is al beter. De contouren van een menselijke aanwezigheid komen in zicht. Zelf had ik na Napoleon een punt gezet, maar á la, we wagen het erop en schaffen de biografie aan. Net terug in Nederland wandelde ik De Slegte binnen, waar ik de Houellebecq-biografie van Denis Demonpion voor acht euro zag liggen.


Bij verschijning (2006) heb ik die links laten liggen, vooral door de ondertitel: De ongeautoriseerde biografie. Daarvan kun je al van honderd meter afstand ruíken dat het zaakje stinkt, een banale uitgeverstruc die met het aureool van schandaal de verkoop moet stuwen. Zonder succes trouwens, want nu ligt de hele partij (eerste druk, zag ik, toen ik het boek mijns ondanks had opgepakt) in het riool van De Slegte. Dan de lakmoesproef.



Houellebecq intrigeerde me. Ik kwam hem ’s ochtends weleens tegen in de Rue Racine, een sombere figuur die zich lamlendig voortbewoog in een degelijk leren jack, met een silhouet dat krom stond onder zijn mal de vivre. Hij had het voorkomen van een dandy uit het fin de sciècle, met die eeuwige sigaret tussen zijn middel- en ringvinger, die zo kenmerkend voor hem is.


Kijk, zo moet het. Je ruikt dat je met een mens van doen hebt. Met twee mensen zelfs, want Demonpion durft ik te zeggen, durft verslag te doen van de moeilijkheden bij zijn onderzoek, en durft te vertellen over het ‘vermoeide dedain’ dat de gebiografeerde er zelf tegenover legde.De biograaf maakt ons deelgenoot in de raadsels die hij moest oplossen.


Waarom gaat Houellebecq met een vals geboortejaar door het leven (hij maakte zich twee jaar jonger)? Waarom heeft hij zijn achternaam (Thomas) verruild voor de meisjesnaam van zijn grootmoeder? We maken de gesprekken over Demonpions schouder mee, inclusief zijn twijfels over zijn bronnen. Dat geeft deze biografie transparantie en oprechtheid.


Ik heb een exemplaar uit het riool gevist. U zult vanmiddag of morgen hetzelfde doen.


woensdag 15 april 2009

Personagenamen


[Column De Groene Amsterdammer, vorige week]


We weten allemaal hoeveel kinderen er wereldwijd geboren worden - vier per seconde - maar heeft iemand weleens berekend hoeveel personages er elke seconde ter wereld komen?


Een gemiddelde roman telt er al gauw vier. Tel daar alle bijfiguren bij op, alle karakters uit speelfilms, uit toneelstukken, series, stripverhalen, thrillers, streekromans, korte verhalen, kinderboeken en pornofilms, en je zult redelijk in de buurt komen van die vier per seconde.


Waar mijn hersens zich steeds meer over pijnigen wanneer ze zich weer eens bij die immens massa van barende hoofden scharen, zijn de namen die ik die personages moet meegeven. Die moeten van het juiste coloriet zijn, zonder clichématig te klinken, zonder opzichtig symbolisch te zijn, en zonder dat ze je halverwege het boek gaan tegenstaan.


Daar komt nog een onderbelichte eis bij: ze moeten nog niet in de werkelijkheid bestaan. Alle voornamen uit je vrienden- en familiekring zijn dus op voorhand van deelname uitgesloten.


In Bernlefs Buiten is het maandag heet de held Harry Bekkering. Wat blijkt: die man bestaat, zonder dat Bernlef het wist, en is nota bene literatuurhoogleraar in Nijmegen.


Zelf gooi ik elke nieuwgeborene daarom eerst door Google en daarna door Hyves. Op die manier zijn al heel wat kandidaten van naam veranderd, en bestaande mensen ontsnapt aan een drama in de eeuwigheid.


Met veel pijn en moeite had ik een aantal maanden terug een meisjesnaam gevonden die het bijbehorende novellepersonage als gegoten zat. Totdat mijn vriendin iets op mijn computer wilde opzoeken en vluchtig een glimp van het manuscript opving dat nog open stond. Bedremmeld stapte ze terug de woonkamer in, en noemde de naam van mijn personage.

‘Dat is een heel mooie naam…’ begon ze.

‘Hm hm…’ bevestigde ik. Ik kon de opmerking nog niet als compliment incasseren, want boven haar hoofd pakte de donkere wolken van een ‘maar’ zich al samen.

‘Het is ook wel een mooie naam voor een kindje.’

Nu sprak ze de naam uit gevolgd door mijn achternaam. En halleluja, dat klonk inderdaad als muziek in de oren.

‘Maar we hebben toch al een meisjesnaam?’ protesteerde ik, me nu tevens tot haar buik richtend. Ik herinnerde me hoe ik laatst een avond niet in slaap kon komen, eindeloos met lettergrepen en klanken goochelend, totdat het ineens was alsof ik de juiste cijfercombinatie van een slot had gevonden, dat vol vreugde opensprong, waarna ik mijn vriendin onmiddellijk wakker had willen maken, maar toch de naam de nieuwe dag in had weten te tillen, waar zij aan het ontbijt nog niets aan kracht verloren had en bovendien op bijval van de aanstaande moeder kon rekenen.

‘Ja ja, maar voor een twééde kindje…’

Ik zuchtte.


Hebben kinderrijke schrijvers als Thomas Mann of Jan Wolkers zich ook ooit over deze problematiek het hoofd gebroken? Wolkers gebruikte de naam Eric zowel voor zijn eerste zoon als voor zijn personage Eric van Poelgeest. Dat zou ik dus niet kunnen. Vroeg of laat gaat je nageslacht jouw werk lezen, en als hij of zij de hoofdpersoon lijkt, schept dat toch verwarring. Personagenamen dien je zodanig te kiezen dat je ze nooit later voor eventuele kinderen wilt gebruiken.


Ik ging terug achter mijn computer zitten, om de hele naamgevingsprocedure opnieuw te doorlopen, Google, Hyves… Ineens begreep ik waarom het universum van Frans Kellendonk bevolkt wordt door typen als Frits Goudvis, Latour van Uffel en Felix Mandaat. Alhoewel, op het acht uur journaal, zie ik vaak de meest onwaarschijnlijke namen onder de geïnterviewde in beeld verschijnen, die rechtstreeks een roman in zouden kunnen.


En waar haalde Bordewijk zijn achternamen vandaan? Whimpysinger, De Moraatz, Van der Karbargenbok, Surdie Finnis, Schattenkeinder: allemaal gewoon uit het telefoonboek. Een groep van zestien Amerikaanse auteurs, onder wie Stephen King, Amy Tan en John Grisham, hield een paar jaar terug op eBay een veiling, waarbij mensen zichzelf als personagenaam in hun volgende boeken konden inkopen. De omgekeerde wereld: alsof Harry Bekkering zou willen betálen voor een plaatsje aan Bernlefs raampje, waar hij voor eeuwig naar die maandag buiten moet turen. Nee, een veiling organiseren leek me onzinnig.


Ik zocht verder. 'What’s in a name?’ vraagt Romeo’s Julia retorisch bij Shakespeare. Maar had ze dat ook gezegd als Shakerspeare haar Gonda had genoemd? Na lang puzzelen had ik een naam, eentje waarvan ik wist dat die als potentiële kindernaam al afgevallen was.


Na een goddelijke interventie van Ctrl-F, zoeken en vervangen, voltrok de transformatie zich ogenschijnlijk pijnloos.


De sidderende schim van mijn toekomstige tweede dochter haalde opgelucht adem in het hiervoormaals.


zondag 5 april 2009

Taal noch teken


Een schrijver die een envelop in de brievenbus vindt met het adres van zijn uitgeverij erop, door een medewerker netjes doorgestreept en doorgestuurd, moet altijd een beetje op zijn hoede zijn. Het overkomt me gelukkig niet al te vaak, maar laatst was het weer raak. Een getypt velletje. Postpapier met watermerk. Postzegel en antwoordenvelop bijgesloten.
De afzender meende een spelfout in mijn laatste boek ontdekt te hebben. En hij had geen antwoord gekregen op zijn laatste brief. “Taal noch teken!” Ik zag dat het uitroepteken met een grotere spierkracht dan de overige letters in het papier was gehamerd. Op iedere krantenredactie weten ze dat handgeschreven of getypte brieven weinig goeds voorspellen.
Meestal zijn het vinnige betogen van vierduizend woorden, naar aanleiding van een kort berichtje, en anders zijn het wel die dichtbeschreven pagina’s waarin het geheim van de piramides eindelijk ontrafeld wordt, de aanwezigheid van buitenaardse wezens wordt aangetoond met duizelingwekkende diagrammen, en soortgelijke ontdekkingen die de afzender graag wereldkundig gemaakt ziet.
Ook wetenschappers worden er mee geplaagd. Ik ken het geval van een wiskundige die volgens een hardnekkige briefschrijver geen recht zou hebben gehad op de hem toegekende Spinozapremie. Of die wiskundige het geld even wilde overschrijven op de rekening van de briefschrijver, de wérkelijke ontdekker van de premiewinnende wiskundige stelling. En elke maand een herinnering: “Je tijd is om!”
Ronald Giphart zou gedragen slipjes van tienermeisjes opgestuurd krijgen, Tommy Wieringa kreeg stapels foto’s opgestuurd van dames die poseerden met een sinaasappel tussen schouder en kin geklemd (zoals op het omslag van Joe Speedboot), en hoewel ik toch een naakte vrouw op het omslag van mijn debuut had staan, is mij noch nooit iets in die sferen toegestuurd.
Omdat dit boek over stalking ging, triggerde het een heel specifieke groep brievenschrijvers. Van een enkeling kreeg ik het complete strafdossier toegestuurd, alsof ik hun advocaat was.
Laatst na een openbare discussie - die zoals vaker over een mysterie als ‘de taak van de roman’ ging - kwam een oudere man me bij het signeren opzoeken. “U heeft niks gezegd over herkenning. Mensen lezen boeken omdat ze iets herkennen.”“Dat is inderdaad ook een interessant aspect. Daar hadden we het ook over kunnen hebben,” mompelde ik, gevolgd door iets verontschuldigends over de “altijd beperkte tijd”. “Nee,” sprak de man krachtig (ook hij leek me het type dat brieven schreef met nijdig ingehamerde uitroeptekens), “daar had je het over moeten hebben!”
Herkenning is inderdaad de crux. Je leest een boek, hebt het idee dat het speciaal voor jou is geschreven en ervaart daardoor onmiddellijk een hechte band met de schrijver, waardoor het vanzelfsprekend is dat je hem brieven schrijft. Je kent elkaar immers. De langste handgeschreven brief kreeg ik voorafgaand aan een optreden overhandigd in een Belgisch plaatsje (Knokke of Dilbeek). De strekking: de man had mijn boek gelezen en bezwoer me ernstig: “Ik kan u helpen.”
Ik las de brief backstage, samen met Gerrit Komrij, die me leerde dat zulke brieven altijd in drie fasen komen. 1. Ik ben een groot bewonderaar van uw werk, etc etc. 2. Mag ik zo vriendelijk zijn eraan te herinneren dat u mijn laatste brief nog niet beantwoord hebt? “En fase drie is dan: meneer Komrij, u bent een ploert! En uw werk heb ik ook altijd ploerterig gevonden!”Ik borg het postpapier met watermerk op.
Vaag herinnerde ik me de eerdere brief waarop ik ‘taal noch teken’ liet horen. Die brief kwam vlak vóór de betreffende roman verscheen, waarvan de briefschrijver wilde weten: “Hoe verdedigbaar is de keuze van Venetië als locatie? Uw oratio pro domo zie ik gaarne tegemoet.”Dit omdat de afzender meende dat Gerard Reve ooit klaagde dat jonge schrijvers hun materiaal altijd “van ver haalden”, terwijl hun eigen straat al “vier Madame Bovary’s” zou opleveren.
Wat zou deze man met zo’n oratio pro domo willen? Gratis een handschriftje vangen en dat aan het Letterkundig Museum verpatsen? Enfin, als de man ondanks de vermeende spelfout dat boek gelezen heeft, weet hij dat het overgrote deel in een Nederlands provincieplaatsje speelt, in mijn eigen straat zogezegd, met, voorwaar, een meisjespersonage in wie mogelijk een moderne Bovary huist.Dat kan ik beter niet te hard zeggen.
Straks komt de briefschrijver nog op het idee dat ik naar aanleiding van zijn briefje die roman in de twee weken voor de publicatie volledig heb herschreven, zodat hij de rechtmatige eigenaar van mijn royalty’s is. Dan volgt dadelijk Fase Drie volgens Komrij’s systematiek. “Je tijd is om, ploert!”

zondag 22 maart 2009

Boycot van eigen bodem


[Column De Groene Amsterdammer]


‘Ik moet eerlijk zeggen dat ik de laatste tijd eigenlijk nauwelijks meer Nederlandse fictie lees.’ Die zin heb ik dit kalenderjaar al minstens drie keer horen uitspreken. Eén keer door een literatuurwetenschapper, één keer door een student, en eergisteren door een vrouw die me kwam interviewen voor een opinieweekblad.


Al die keren was niet alleen de woordkeuze exact dezelfde, maar ook de intonatie. Een uiterst interessante toonzetting, die er in slaagt zowel verontschuldiging als trots uit te drukken. Of misschien wel alleen het laatste, na een schijnbeweging van het eerste. Alsof ze zeggen: ‘Ik koop eigenlijk nauwelijks meer groente.’ En na een adempauze: ‘In de supermarkt. Ik haal het tegenwoordig allemaal op de biologische markt.’


Wat bezielt deze mensen? Waarom die als bekentenis vermomde boycot van boeken van eigen bodem? Ik tel vijf mogelijke motieven.


1. Het pragmatische. Buitenlandse romans die in vertaling zijn verschenen of in de oorspronkelijke taal in onze boekhandels verkrijgbaar zijn, zijn al door een selectiefilter gegaan. Natuurlijk verschijnen er ook in Frankrijk, Italië, Duits- of Engeland net zoveel dertien-in-een-dozijnromans als hier, maar op wat hier beschikbaar is, hebben allerlei kenners en handelsgezanten reeds hun keurmerk gedrukt. De Frankfurter Buchmesse als literaire biologische markt. Toch is dat onvoldoende reden om landgenoten ongelezen te laten. Een groot deel van hen is immers in vele talen vertaald, van kosmopolieten als Nooteboom en Grunberg tot plattelandskoningen als Siebelink en Bakker.


2. Het exotische. Een boek lezen is een reis maken en we gaan - in weerwil van wat staatssecretaris Heemskerk graag ziet - toch ook liever niet op een camping in de Veluwe staan. Wat je van ver haalt is lekker. En wat er in die Hollandse boekjes valt te lezen, dat maak ik in mijn eigen straat al mee. Dat klinkt al aannemelijker, maar wil er bij mij toch niet helemaal in. Want mijn god, wat wordt er toch veel gereisd door Nederlandse schrijvers! Alleen het Fonds voor de Letteren al deelt jaarlijks € 75.000 aan reisbeurzen uit. Bovendien vertrekken veel schrijvers zodra ze hun kans schoon zien naar het buitenland, zodat de boycotters met gerust hart uit een pallet zo breed als Van Dis, Komrij, Grunberg, Meijsing en De Winter kunnen putten. Bovendien is België ook nog altijd in alle opzichten buitenland.


3. (We schuiven langzaam op naar de minder nobele regionen). Het snobistische. Een boek lezen is in dit geval zoiets als een pak of handtas dragen, en daarvoor ga je ook niet naar de Hema. Vul je boekenkast met Nobelprijswinnaars, antieke folianten en Japanse prenten en men zal weten wie je bent, een wereldburger. Cachet, savoir-vivre, la dolce vita, life style, Aufschwung, saudade, Sturm und Drang, joyeus, Spielerei: is het toeval dat al deze woorden volstrekt onvertaalbaar zijn in het Nederlands? Mogelijk is dit type snobisme ook een reactie op nationalistische tendensen onder het plebs. De groep die altijd al potjes pindakaas mee op vakantie nam, stemt nu op Wilders en Trots op Nederland. Wie tot de intellectuele elite wil behoren, kan daarom het beste al het Nederlandse maar afzweren. Zelfs Murakami leest men veiligheidshalve in Engelse vertaling. Deze groep is doorgaans te herkennen aan planken met verzamelde werken in verzamelcassettes. Alle delen Proust. Plato compleet. Zoals je een opzichtige Rolex draagt.


4. Het vooringenomen. Sommige verzamelaars hebben wél bij De Slegte het boxje verzameld werk van Reve gehaald, of bij de Selexyz de complete grafkist Couperus. Nederlanders, maar in acceptabel gemummificeerde vorm. ‘Bij mij is het allemaal opgehouden bij Reve.’ Opvallend aan deze types is dat ze sinds De Avonden ook nooit meer gelachen hebben. Ze zijn zelf al een beetje gemummificeerd. Laat ze maar lekker versterven, met hun Nescio.


5. (Nu we toch op die toer bezig zijn). Het huichelachtige. In Engeland is een onderzoek gedaan waaruit blijkt dat 65 procent van de Britten wel eens liegt dat ze een boek gelezen hebben. Dit gebeurt vooral bij Orwells 1984 en Joyces Ulysses. Ongelezen exemplaren verminken ze met ezelsoren en vouwen. Mensen die ‘eigenlijk nauwelijks meer Nederlandse fictie lezen’ kunnen weleens eenzelfde huichelachtigheid bezitten. Stiekem Saskia Noort op het nachtkastje hebben liggen en die snel verwisselen voor een Coetzeetje als er visite komt. Het zou wel eens waar kunnen zijn. Vraag je immers door, dan vertellen de boycotters doorgaans dat schrijver A ‘altijd hetzelfde trucje doet’, B ‘altijd zo gewichtig is’, en C ‘altijd zo oeverloos’. Altijd. Dus men leest het toch, en zelfs volledig? Altijd: dat woordje verraadt veel.


Bijvoorbeeld dat ze snobistisch, vooringenomen of huichelachtig zijn.


zondag 1 maart 2009

Iedereen rijdt zwart

[Column De Groene Amsterdammer 27 feb 2009]

Zoals bladen voor tienermeisjes om de zoveel nummers een artikel brengen rond de vraag ‘hoe word ik fotomodel’, zo komen er voor volwassenen geregeld boekjes op de markt rond de vraag ‘hoe schrijf ik een bestseller’.
In Nederland is literair agent Paul Sebes zijn boekje Bestseller nu aan het uitmelken in een hoekje in de Volkskrant, in Vlaanderen lanceerde Bart van Lierde onlangs het handboek Een bestseller schrijven voor dummies (zie afbeelding).
Met ‘hoe schrijf je boek’ hoef je in deze dagen niet meer aan te komen. Bestsellers willen we maken, rijk worden zonder er veel voor te hoeven doen, en wel onmiddellijk. Nu dat met hedge funds niet zo gemakkelijk meer gaat, storten we ons maar op de literatuur.
In een krant las ik laatst over de keerzijde van de kredietcrisis. Ontslagen bankmedewerkers hebben eindelijk tijd hun oude dromen te verwezenlijken, zoals een avontuurlijke reis maken of, jawel, ‘een boek schrijven’. Lees: een bestseller schrijven.
Dat de bestselleritis ook in het hobbycircuit is toegeslagen, is niet verwonderlijk. Onder uitgeverijen en boekhandelaren is het al lang de praktijk om kritiekloos mee te rijden in de achtbaan van de bestseller-hype. De tachtig-twintigregel, heet dat in uitgeversland: tachtig procent van je fonds wordt betaald door de twintig procent goedverkopende boeken. Inmiddels is die verhouding ongeveer negentig-tien. Uitgevers weten echter nooit van tevoren welke boeken zich tot die tien procent bestsellers zullen ontpoppen (zie verrassingssuccessen als Harry Potter en Joe Speedboot), en geven dus steeds meer ‘titels’ uit.
Iedereen mag een gooi doen naar de jackpot. Figuren als Sebes en Van Lierde hebben dubbele loten: hun zelfhulpboekjes faciliteren de consument in de loterij, en dingen tegelijkertijd zelf mee naar de top-10 noteringen. Dat verhullen is niet meer nodig. Opzichtig mikken hun hijgerige titels op de gunst van het grote getal.
‘Hoe gaat het met je boek?’ vragen kennissen en vrienden me geregeld. Nadat ik dan wat gestameld heb (want wat kun je hierop antwoorden? Een roman is toch wat anders dan een dochter, huisdier of partner, die griep kan krijgen), blijkt wat men eigenlijk wilde vragen: hoe verkóópt het boek? Hoeveelste druk. Oplagen. Harde cijfers graag.
Als in het land van de letteren het cijfer gaat overheersen, gebeuren er grappige dingen. Bijvoorbeeld dat elk nieuw boek, ook als het een serieuze roman is, moet worden vermomd als een populair boek, in aanbiedingscatalogi gekenschetst als ‘peilloos diep’, ‘hartverscheurend’ of ‘bloedstollend’. Met het aangroeien van de onverantwoord hoge boekenstapel (er verschijnt dagelijks een nieuwe roman!) moet de volumeknop van de megafoon steeds hoger.
Een boekhandel kun je alleen nog bezoeken met mentale oordopjes in. Voorbij de hitparadetafels, schreeuwposters en seizoensgebonden themastellages kun je misschien, na wat speurwerk, iets vinden dat mogelijk een serieus boek kan zijn. Maar hoe lang nog? Een schrijver van serieuze boeken kan misschien beweren dat hij slechts ‘voor een klein publiek’ wil schrijven, maar om deze selecte kring van Feingeisten te bereiken, zal hij zich toch eerst tot het gehele publiek moeten wenden. De Feingeist klopt niet uit eigen beweging bij de auteur aan.
De serieuze schrijver zal dus, samen met zijn uitgever, tot de conclusie komen dat er niets anders opzit dan mee te dansen in het circus van de bestsellers, hij zal dus een kostuum uitkiezen, zijn boek vermommen in een jasje met kek superlatievenmotief, en plaatsnemen aan de roulettetafel waar hij zijn werk inzet in het grillige spel.
Tot zijn verbazing blijkt hij in dit casino omringd te zijn door auteurs die hun rijbewijs gehaald hebben bij Paul Sebes of Bart van Lierde. Hij is omringd door dummies en ex-bankiers. Stonden voorheen de uitgevers en boekhandels nog als strenge uitsmijters bij de ingang om bezoekers te weigeren op grond van hun gebrek aan kwaliteit, tegenwoordig is het carnaval en mag elke gek die drie zinnen achter elkaar kan schrijven erin.
“Ze rijden eersteklas op een tweedeklas kaartje,” typeerde Vladimir Nabokov deze schrijvers, in de tijd dat de populaire bestseller net opkwam. Je vraagt je af hoe groot zijn schrik moet zijn als hij de huidige situatie zou kunnen zien: iedereen rijdt zwart, en de conducteurs staan erbij te juichen.

vrijdag 20 februari 2009

Bidden voor Andries


Doordat ik zonder religie ben opgegroeid, heb ik de Bijbel altijd op precies dezelfde manier gelezen als de Metamorphosen van Ovidius, de sprookjes van Grimm en Gullivers reizen. Het kwam niet in me op dat er mensen konden bestaan die dat anders zagen.


Die naïviteit ben ik nooit helemaal kwijtgeraakt, zodat ik vorige week vol ongeloof naar al die EO-leden in Barneveld keek die oprecht geschokt waren dat hun bloedeigen Andries Knevel het scheppingsverhaal uit Genesis niet langer letterlijk neemt.


“Andries…” sprak een man, met bibberende onderlip, recht in de camera van Nova. “We bidden voor je…”


De eerste impuls is, vanzelfsprekend, een schaterlach. Zijn die kippenboeren écht zo achterlijk? Hoe kon God nu de aarde in ‘zes dagen’ scheppen als het verschijnsel ‘dag’ pas bestond toen die aarde af was?


De tweede impuls is teleurstelling. Teleurstelling omdat een grote bevolkingsgroep niet meer begrijpt (of nog niet begrijpt) wat mythologie en fictie inhouden. De rijkdom van de verhalen uit de Bijbel is aan gelovigen totaal niet besteed.


Het verhaal van Adam, Eva en de zondeval is bijvoorbeeld een van de krachtigste mythen uit onze cultuur, schatrijk aan betekenissen, op talloze niveaus gelaagd, met een indringende emotionele zeggingskracht en een fantasierijke wijsheid. Reduceer je het tot een historisch traktaat, dan trap je het plat tot een eendimensionaal, al met al niet erg overtuigend stuk keukendweil.


Dat zou niet erg zijn als Barneveld inderdaad slechts een clubhuis voor kippenneukers was, maar het probleem is dat deze bij uitstek onliteraire houding bij een groot deel van ons electoraat heerst, groot genoeg om fantasieloosheid een regeringsmacht te laten verwerven. Voeg daarbij dat Amerikanen nog liever een moslim dan een atheïst als president zouden hebben (zoals Maarten van Rossum in zijn programma liet zien), en je krijgt een glimp van de verschrikkelijke wereld waarin wij leven.


Volgens Joseph Brodsky zou het in die wereld een stuk beter gaan als regeringsleiders meer fictie zouden lezen. Beslist, mits we daar aan toevoegen dat ze ook zouden begrijpen wat het karakter van fictie is, dat ze kúnnen lezen. Het christelijke geloof werkt dat vermogen actief tegen.


Toen ik studeerde waren er behoorlijk wat Zeeuwse meisjes in rokken die de boeken van Jan Wolkers, Louis Paul Boon of Gerard Reve niet mochten lezen. Hoe kun je onder zo’n regime ooit iets van de Nederlandse literatuur snappen? Dat ze nu niettemin met een doctorandustitel in de Nederlandse Letteren rondlopen is een grof schandaal. En hoe kunnen die christenen met hun fictievijandig oog ooit hun eigen Bijbel begrijpen?


Het gaat nog veel verder. De oorlogen die gevoerd worden vanwege de vermeende aanwezigheid van de hoofdpersonen uit de Bijbel, Koran of Thora zijn even onzinnig als de pogingen van middeleeuwse ontdekkingsreizigers om de Hof van Eden op aarde te vinden. Ook het islamitisch geïnspireerd terrorisme komt uiteraard voort uit onbegrip van de aard van fictie. De wereld zit vol met mensen die dringend Brodsky moeten lezen.


Neem bijvoorbeeld die ondernemer die vorig jaar in het tv-programma van Andries Knevel zat. Meneer had de Ark van Noach nagebouwd. Kosten: een miljoen euro. Meneer was ervan overtuigd dat die boot echt bestaan had. ‘Bewijzen kunnen we dat niet, maar we kunnen de mensen wel een handreiking geven, laten zien hoe het geweest is.’ Zijn stunt is even kolderiek als dat het zou zijn als iemand het vliegtuigje uit Joe Speedboot zou namaken, de teletijdmachine uit Making History van Stephen Fry of de toverdrank van Panoramix, als bewijs dat het echt gebeurd is.


Iemand geeft een miljoen euro uit om het archetypische verhaal van Noachs Ark te vernietigen, te ontdoen van zijn rijke mythologische dimensies en terug te brengen tot een platte kermisattractie.


Misschien is dat het moment geweest dat Andries Knevel wroeging kreeg. Dat hij nu tot inkeer komt, is hoopgevend. Laten we bidden dat er een dag komt dat alle christenen instemmend kunnen grinniken om de volgende passage uit De ondraaglijke lichtheid van het bestaan van Milan Kundera: ‘Meteen aan het begin van Genesis staat dat God de mens heeft geschapen om hem te laten heersen over vogels, vissen en levende wezens. Uiteraard werd Genesis geschreven door een mens en niet door een paard.’

zondag 18 januari 2009

Acrobatiek


[Column in De Groene Amsterdammer]


The Times Literary Supplement koop ik om de een of andere reden altijd alleen in het buitenland. Waarschijnlijk omdat het zo’n mooi attribuut is voor de kosmopolitische reizigersromantiek. Alleen al de aankoop ervan - ’s ochtends bij een kioskverkoper die tussen kranten- en bladenwanden zit ingemetseld - maakt dat je je een man of letters waant. En zit je even later aan een cafétafel met het uithangbord TLS duidelijk zichtbaar voor personeel en passanten, dan voel je je de rest van de dag een onzichtbaar gekroonde.



Dat is natuurlijk kinderachtig, snobistisch en mogelijk zelfs een tikkeltje aanstellerig, maar aan de andere kant: ik doe er vrijwel niemand kwaad mee. Bovendien zet het blad je aan het denken. Tientallen diepgravende boekbesprekingen van duizenden woorden per stuk, waar je dagen zoet mee bent, geschreven door bepaald niet de minsten, en dat op wekelijkse basis: waarom hebben we in Nederland zoiets niet?



Lange boekbesprekingen raken hier uit de mode. Bij Vrij Nederland is de Republiek der Letteren sterk geminimaliseerd. De boekenbijlage van NRC Handelsblad heeft na een restyling veel besprekingen van slechts vierhonderd woorden. En bij zijn aantreden als nieuwe hoofdredacteur van HP/deTijd mopperde Jan Dijkgraaf: ‘Het blad doet heel veel aan literatuur, elke week weer vele pagina’s. Waarom dat niet wat minder en eens per kwartaal een literatuurspecial? Dan levert het nog wat op.’



Sommige literaire tijdschriften proberen in het ontstane gat te springen. Zo mocht ik onlangs in De Revisor maar liefst vijfentwintighonderd woorden schrijven over de nieuwste Philip Roth. Desondanks zie je nog niemand kinderlijk content met De Revisor als snobistisch attribuut in het café zitten.



‘Kasplantjes’ noemde Vrij Nederland de literaire tijdschriften vorige week, en portretteerde er een aantal, wat het beeld opleverde van het literaire tijdschrift als clubblad van aimabele (wo)men of letters die maandelijks bijeenkomen om te drinken en te dineren. De oplagen komen niet boven de duizend exemplaren.



Toen ik studeerde werd de indruk gewekt dat bladen als Forum, Tirade, De Gids en De Revisor de zenuwcentra van ons literaire leven waren, met fameuze vetes, over elkaar heen buitelende stromingen en polemieken met de impact van aardbevingen. Dat beeld is óf zwaar vertekend óf totaal passé. Of allebei natuurlijk.



In elk geval hangen ze nu aan het infuus van subsidie en liefdewerk oud papier. Een aantal liet het loodje, de rest strijdt met de nobele bravoure van de gemarginaliseerde tegen de tirannie van de massaliteit.



Dat brengt mij op het volgende proefballonnetje. Als die bladen elkaar toch niet meer polemisch in de haren vliegen, grotendeels bij uiteindelijk dezelfde uitgeversgroep zijn ondergebracht, allemaal bezig zijn aan hun langgerekte zwanenzang, allemaal in dezelfde lezersvijver vissen, allemaal dezelfde verdieping nastreven, namelijk díe verdieping die nu in dag- en weekbladland ernstig onder druk staat, zou het dan niet te overwegen zijn om de literaire tijdschriften samen te laten gaan?


Ik zie een wekelijkse of tweewekelijkse stevige tabloid voor me, met tientallen stukken van duizenden woorden, van de hand van bepaald niet de minsten, met diepgravende besprekingen, proza, poëzie en essays.


Ik begrijp ook wel dat dit gevaarlijk is. Hoewel ik de bescheiden hoffelijkheid die schrijvers eigen is daarmee misschien geweld aan doe, is het theoretisch denkbaar dat bepaalde (wo)men of letters niet graag samen in één ruimte bivakkeren, laat staan in één tijdschrift. Dat vereist dus wat acrobatiek in de redactionele samenstelling. Die zou je bijvoorbeeld roulerend kunnen inrichten.


En bovendien bieden eventuele jalousie de métier, egostrijd en de laatste restjes kongsivorming juist een uitgelezen kans om zo’n blad spraakmakend te laten zijn, polemieken te genereren met de impact van aardbevingen. Toekomstige studenten zullen leren hoe dit blad het zenuwcentrum van ons literaire leven werd.


De kunst is om er een blad van te maken waarvan je het als boekenlezer, literatuurliefhebber en schrijver-in-spe (alleen die laatste populatie heeft al een omvang van een miljoen) niet kunt permitteren er niet af en toe mee gezien te worden in het café. Ik bedoel: dan levert het nog wat op.

Alleen al de aankoop ervan maakt dat je je een (wo)man of letters waant.

dinsdag 9 december 2008

Proza in tijden van crisis


[Column in De Groene Amsterdammer]


Kan er nog poëzie geschreven worden na Auschwitz, vroeg de Duitse filosoof Theodor Adorno zich af. Naar analogie van die vraag: kun je nog proza schrijven na de kredietcrisis? De Peruaanse romanschrijver Mario Varga Llosa voorspelde onlangs een literaire bloeiperiode, omdat “grote trauma’s” als de credit crunch altijd artistiek “stimulerend” zijn.
Varga Llosa getuigt van een romantische kijk op de zaak: schrijvers gedijen het beste bij armoede. De geschiedenis lijkt het inderdaad te bevestigen. De jaren van de Great Depression hebben sterke romans voortgebracht van Scott Fitzgerald, Hemingway, Dos Passos en Steinbeck.


Dostojevski is een groot deel van zijn leven op de vlucht geweest voor schuldeisers, en verloor geregeld al zijn geleende geld aan de roulettetafels. In 1864 was zijn financiële situatie het meest rampzalig. Is het toeval dat direct daarna zijn beste boeken kwamen: Herinneringen uit het ondergrondse (1865) en Misdaad en straf (1866)?


Volgens Woody Allen mag geld dan beter zijn dan armoede (“al was het maar om financiële redenen”) voor schrijvers gelden kennelijk andere mechanismen. Zo lag het artistieke hoogtepunt van Arnon Grunberg rond de millenniumwisseling, in de tijd dat hij Marek van der Jagt in het leven riep. Terugblikkend (in De geschiedenis van Marek van der Jagt) bekent hij dat zijn leven zich toen ‘in veel opzichten in een crisis bevond: financieel, emotioneel en seksueel’.

Dient de armoede zich niet vanzelf aan, dan kan de schrijver deze zelf afdwingen. Adri van der Heijden beschrijft in Engelenplaque hoe hij eens een appartement huurde tegen een prijs die zijn budget royaal overschreed. Een bewuste zet: het wurgcontract moest hem dwingen tot productie.


Laat ze het bij het Fonds voor de Letteren allemaal maar niet horen. Met het toekennen van schrijversbeurzen werken ze, in dit licht bezien, hun eigen doelstellingen juist tegen. Willen ze onze Vaderlandse letteren effectief stimuleren, dan kunnen ze beter werkaanslagen gaan opleggen, in innige samenwerking met de Belastingdienst.


Literatuur schrijven in crisistijd, dat moet dus wel gaan lukken, maar krijg je al die boeken ook verkocht? Ja, als de overheid doorgaat met gratis vrije dagen uitdelen aan bedrijven in nood, dan heeft iedereen straks leestijd te over. Waarschijnlijker is echter dat we in een recessie belanden en het boek gezien zal worden als luxeproduct van twintig euro die je beter in je zak kunt houden.


Toch ben ik optimistisch. Zoals bekend is de kredietcrisis alleen nog maar de eerste in een reeks draaien die we om onze oren krijgen. Een energiecrisis, een klimaatcrisis en een vergrijzing staan klaar achter de coulissen. De overgang van het olietijdperk naar een nieuw bedrijf op het wereldtoneel zal met veel verwarring en onzekerheid gepaard gaan.


In zulke overgangsperioden zie je altijd twee tendensen. Allereerst een vlucht in fantasiewerelden. Zie het succes van Agatha Christie in de crisisjaren, of van Tolkien, die nu op het filmdoek opnieuw voeding geeft aan escapisme in moderne mythologie. In de tweede plaats een behoefte aan houvast, analyse en duiding in duistere tijden. Zie de gestegen verkoop van kranten tijdens de kredietcrisis. Zie de hausse van post-9/11-romans. Fantasie en wereldanalyse zijn bij uitstek de deugden van de betere roman, die dus inderdaad een welvarende toekomst in lijkt te glijden.

Ik moest bij Varga Llosa’s uitspraken ook denken aan Johan Huizinga, die in het ‘herfsttij der middeleeuwen’ - ook zo’n verwarrende overgangsperiode vol ontwikkelingen die we nu crises zouden noemen - juist een kleurrijke kunstpraktijk bespeurde, ondermeer te danken aan wat hij noemde: ’s levens felheid.

Na de vrijblijvende spelletjes van het postmodernisme en het tevreden cynisme van de jaren negentig kunnen we dat wel gebruiken, ’s levens felheid.